In memoriam Rob Pauwels (1933-2014)

De gitarist met het zangerige toontje

Bron: Jazz Bulletin, maart 2015

Op 6 december 2014 overleed in Den Haag gitarist Rob Pauwels. [1] Hij bereikte de leeftijd van 81 jaar. Het bericht van zijn overlijden bleef, volgens zijn uitdrukkelijke wens, buiten de publiciteit.
Wie Robbie Pauwels heeft gekend en gewaardeerd zal niet alleen zijn gitaarspel missen, maar ook zijn kwaliteit als onderhoudend causeur die geestig kon vertellen over zijn belevenissen uit de tijd dat hij met schnabbelen zijn brood verdiende.
Bij de voorbereiding van dit in memoriam vond ik in mijn archief een cassettebandje met een aflevering van het VPRO-programma Jazz Rondo, waarin Robbie werd ondervraagd door Ruud Kuyper. Die introduceerde Robbie als ‘een enorme ster aan het jazz-firmament’, maar vroeg zich wel af waarom we zo weinig meer van hem hoorden. Een vraag waarop Kuyper eigenlijk zelf het antwoord wist, want beiden werkten jarenlang bij Toon Hermans. In die tijd konden ze maar weinig aan jazzmuziek doen.
Een andere vraag bracht Robbie op zijn praatstoel: “Robbie, je moet ons vertellen hoe je aan dat typische Robbie Pauwels-toontje bent gekomen, aan dat zangerige toontje, ik vind het erg muzikaal klinken.”
Robbie begreep dat hij niet meer met een algemeenheid als ‘het geheim van de smid’ wegkwam, en gaf toen een simpele verklaring. Hij was bevriend met pianist Frans Vink, een van de oprichters van het Dutch Swing College. Die adviseerde Robbie ook klassiek gitaar te gaan spelen. Hij volgde die raad op en inderdaad bleek een op een klassieke gitaar gespeelde ballad het stuk een eigen klankkleur te geven.

Pauwels, Rob - portret Rob Pauwels

Bop-frasering
Aan een interview dat Cor Gout aan Robbie afnam [2] ontleen ik dat 1951 het jaar was dat Robbie een trio vormde met Frits Gehring (vibrafoon) en bassist Henk Bosch van Drakestein, die vaak onder de schuilnaam Hank Wood optrad. Ze speelden in de stijl van het Red Norvo Trio met een frasering die was ontleend aan de bop. Het trio trad vaak op in het Kurhaus. Paul Acket organiseerde daar in die tijd avonden waar diverse combo’s zich konden laten horen.
In 1952 maakte Robbie Pauwels deel uit van een groep musici die onder leiding stond van pianist/docent Frans Elsen die aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag jazzmusici vertrouwd maakte met arrangeerwerk en ensemble-spel. Daarna werd hij lid van het Frans Elsen-trio met als bassist Henk Bosch van Drakestein. De eerste opnamen van dit trio dateren van 1953. In de woorden van Robbie: ‘Dat zat perfect in elkaar en dat was Fransje z’n werk; een klein tirannetje noemden we hem toen. Maar hij had altijd gelijk. Wanneer ik zei dit of dat kan niet, zei Frans: “Dat kan best, dat moet je kunnen.” Dat betekende dat er enorm veel gerepeteerd moest worden.’ [3]
De mooiste muziek die ik heb gemaakt, vertelde Robbie mij in 1954 [4], was in de tijd van het Frans Elsen-trio, toen we arrangementen van Frans speelden. Inderdaad behoren I’ll Remember April en Introspection, vertolkt door dit trio, tot de beste stukken op de Jazz at the Kurhaus-lp’s.

Als ik probeer na te gaan hoe Robbie’s muzikale loopbaan eruit zag, blijkt dat geen gemakkelijke opgave. Met zijn geheugen was niets mis, maar met concrete informatie sprong hij zuinig om. Gegevens over opnamedata en bezettingen zag hij doorgaans als onbelangrijke details. Het ging hem louter om de kwaliteit van de muziek en daar kon hij boeiend en humoristisch over vertellen. Ik herinner mij verhalen over zijn samenwerking met vibrafonist Coen van Nassou, die zich vaak voorstelde als ‘de reserve-koning’.
Ooit maakte Robbie deel uit van een gezelschap, waaronder Coen van Nassou, dat in Indonesië muzikale verstrooiing moest brengen. In Singapore werd een tussenlanding gemaakt. Omdat de aansluiting op zich liet wachten kregen de passagiers enkele uren sightseeing aangeboden. Een greep uit de conversatie tijdens de busrit.
Coen: ‘Het lijkt hier… (gesmoorde vloek) Den Haag wel’.
Robbie: ‘Hoezo?’
Coen: ‘Allemaal Indische mensen…’
Vermakelijk blijft ook Robbie’s verhaal dat Coen zich tijdens een schnabbel in Scheveningen via de microfoon tot het publiek wendde met de mededeling dat hij zojuist een hond had gekocht, een anti-Duitse herder.
Voor wie meent dat vermelding van dit soort triviale gebeurtenissen niet op feiten berust, noem ik nog een anekdote met een hoog waarheidsgehalte. Toen Robbie aan de altijd gevatte Ruud Brink vertelde dat Piet Noordijk was gaan samenwonen met zijn vriend Bas, was Brink’s reactie: ‘Dan kan Piet nu zeggen, Bas, you is my woman now.
Als Robbie gevraagd wordt naar zijn meest gewaardeerde gitaristen vielen er altijd twee namen: Barney Kessel en Jimmy Raney. Discussies over ‘oud’ en ‘modern’ waren aan hem nooit besteed. Barney Kessel (in het Pauwels-jargon ‘Barend Ketel’) stond hoog genoteerd, omdat die ‘lekker’ speelde. Robbie: ‘Op zijn timing heb ik altijd heel goed gelet.’ Het in 1957 verschenen album The Poll Winners van Barney Kessel (gitaar), Ray Brown (bas) en Shelly Manne (drums) was een bron van inspiratie..
Robbie bewonderde Jimmy Raney om diens veelzijdigheid. Raney beheerste een groot aantal verschillende stijlen. Of het nu bebop, cool jazz, post bop of mainstream jazz betrof, je kon altijd bij Jimmy Raney terecht. De inmiddels op cd verschenen elpees Jimmy Raney Visits Paris behoorden tot Robbie’s favoriete albums.
Helaas raakte Raney, net als zijn zoon, gitarist Doug, door overmatig alcoholgebruik in problemen. [5]

Amerikaanse soldaten
In de jaren vijftig maakte Robbie deel uit van tal van groepen.
Het Birdland Kwintet (1952-’53) stond onder leiding van drummer Arie Merkt. Overige leden: Frans Vink (piano), Jan Morks (klarinet en saxofoon), Robbie Pauwels (gitaar) en Chris Bender (bas). Deze groep speelde aan de bebop ontleende thema’s, zoals How High The Moon.

In 1953 ging Robbie met een combo dat onder leiding stond van bassist Jochem de Molenaar naar Duitsland. Jochem zelf speelde bas. Het kwintet bestond verder uit Ted Bouwman (klarinet), Rob van Lankeren (piano) en Piet Geurdes (drums). Het werd geen succes. Robbie: ‘We moesten spelen voor Amerikaanse soldaten die liever Texas-muziek wilden horen.’
In 1953-’54 stond Oostenrijk op het programma. Het Esquire Quintet bestond uit Frits Gehring (tenor- en sopraansax), Loek van der Snoek (piano), Robbie Pauwels (gitaar). Henk Bosch van Drakestein (bas) en Ann van Dijk (drums en zang).
Zomer 1954 vond Robbie het een eer dat hij tot de musici behoorde die door de Zweedse bassist en jazzcriticus Simon Brehm werden uitgekozen om opnames te maken die voor Radio Stockholm zouden worden uitgezonden. De groep die hiertoe naar Hilversum toog, bestond, naast Robbie Pauwels, uit Harry Verbeke (tenorsax), Hans Vlig (piano), Børge Ring (bas) en Tonny Nüsser (drums).
In 1954 kregen Robbie Pauwels en Henk Bosch van Drakestein, die op dat moment in Wiesbaden speelden, een brief van Pia Beck met het verzoek om met haar in de Vliegende Hollander op te treden. Beiden gingen daarop in. Pia bereikte met haar jazzy entertainment grote populariteit als pianiste en vocaliste. Pia’s Boogie werd een levenslange hit. Lullaby Of Birdland een aansprekende herkenningsmelodie. Voor de prachtige verhalen die Robbie over de samenwerking met Pia in voorraad had, verwijs ik nog eens naar het interview dat Cor Gout hem in 2014 afnam.
Aan de schnabbelperiode kwam een eind toen Toon Hermans hem vroeg mee te doen met de one-man-show die hij bezig was op te zetten. Daar ging Robbie op in, maar hij maakte wel een foutje. Toen Toon hem vroeg wat hij wilde verdienen, zei hij: ‘Hetzelfde als hier, 25 gulden’. Hij had natuurlijk 35 gulden moeten vragen. Er kwam uiteindelijk een rijksdaalder bij.
De samenwerking tussen De Komiek (epitheton bedacht door Robbie) en zijn begeleiders verliep niet zonder strubbelingen, maar Robbie hield het toch ruim tien jaar vol (1955-1967). Van zijn samenwerking met Toon is nog van alles te zien in het fotoboek Toon uit 1966. Robbie had zich inmiddels ontwikkeld tot een veel gevraagd fotograaf. Hij maakte foto’s voor zo’n honderd kookboeken.

Aparte woordkeus  
In 1953 werkte Robbie mee aan jamsessions die onder de naam Jazz at the Kurhaus werden uitgebracht. Ietwat misleidend, want van de muziek die op twee 25 cm Omega-lp’s is vastgelegd, is geen noot in het Kurhaus gespeeld. [6] Hij maakte deel uit van het Jazz At The Kurhaus Ensemble, met als solisten Nedly Elstak (trompet), Hans van Assenderp (trombone), Jos van Heuverzwijn, André Blok en Toon van Vliet (tenorsax), Tony Vos (altsax), Frans Elsen (piano), Henk Bosch van Drakestein (bas), Tonny Nüsser (drums). Riedel van Kleef zong met het Frans Elsen-kwartet Once In A While en ’s Wonderful. Robbie Pauwels behoorde tot haar begeleiders.
Als ik met hem naar de Jazz at the Kurhaus-opnamen luisterde vormden de aankondigingen door Pete Felleman altijd weer een bijzondere attractie. Fellemans met grote precisie voorbereide teksten, rijkelijk voorzien van alliteraties en aparte woordkeus, kregen nog een extra dimensie door zijn bas-bariton sound. Zo vermaakten we ons met Fellemans introductie van Riedel van Kleef. Dat werd: ‘Brabants bijdrage aan de moderne muziek … ik geef u … Riedel van Kleef’. Over Tony Vos zei hij: ‘Een man die zijn Konitz terdege kent.’ Robbie werd ongeveer als volgt aangekondigd: ‘19 jaren jong, maar evengoed al twee seizoenen vakervaring. Toch al een solist waarover de collega’s spreken.’
Robbie Pauwels heeft aan tal van opnames meegewerkt. Wie ernaar op zoek is, kan in een platenzaak gaan grasduinen in de bakken met lp’s en ep’s. Efficiënter is het Tom Lord’s Discography te raadplegen. Dan zien we dat Robbie de meeste platen maakte toen hij speelde bij het Pia Beck-trio. Ook het Peter Schilperoort-kwartet, het Jos van Heuverzwijn-sextet, de Millers en de Down Town Jazz Band, moeten worden genoemd. Aparte vermelding verdient de lp Happy Together Again waarop een achtmans formatie is te horen die zich tooit met de naam The Swing Society en in Nick Vollebregt’s Jazzcafé de boel op stelten zette. De aankondiging door Willem Duys in zijn programma Muziek Mozaiek bleek zeer effectief. Het liep storm.

Laatste optreden
Robbie Pauwels behoorde in de jaren vijftig tot de beste Nederlandse jazzgitaristen. In 1954 en van 1956 tot en met 1959 was hij winnaar op gitaar in de ‘polls’ van het muziekblad Rhythme. Op de JAZZ behind the dikes-albums maakt hij deel uit van het Frans Elsen-kwartet en -kwintet. Ook is hij te horen op de eerder genoemde Jazz at the Kurhaus-lp’s. In 2013 bracht de Stichting Doctor Jazz de dubbel-cd Cool Versus Hot uit met hoogtepunten van twee in Scheveningen opgenomen Jazz At The Kurhaus-concerten uit augustus 1953 en ’54. Robbie maakte deel uit van de All Stars in de sector ‘cool’, maar C-Jam Blues kunnen we natuurlijk ook ‘hot’ noemen.
De laatste keer dat ik Robbie hoorde spelen was in het Crowne Plaza hotel in Den Haag – voor oudere Hagenaars het Promenade-hotel. Hij trad daar op bij de presentatie van het album Cool versus Hot. Met Cor Gout had hij toen een gesprek waarin hij onder meer zei: ‘Spelen doe ik nog altijd, dat kan ik niet laten.’
Hijzelf en niemand van de aanwezigen kon vermoeden dat dit zijn laatste optreden zou zijn. Wie Robbie heeft gekend zal zich niet alleen zijn specifieke gitaargeluid herinneren maar ook aan hem denken als aan een bijzondere persoonlijkheid en vriend.

Harm Mobach

In de hiervoor genoemde aflevering van het VPRO-programma Jazz Rondo was Robbie Pauwels te gast bij presentator Ruud Kuiper. Robbie Pauwels (g), Ruud Kuiper (p),

Jan Huydts (b) en Lex Cohen (d) speelden een bluesthema van Frans Elsen: Out of time.


[1]
Rob, ook geschreven als Robby of Robbie Pauwels.

[2] Doctor Jazz Magazine 220, blz. 23.

[3] Robbie Pauwels in een interview met Ruud Kuyper voor Jazz Rondo (VPRO-radio).

[4] Interview in maandblad Rhythme, november 1954.

[5] Zie hierover uitvoeriger Cor Gout in Doctor Jazz Magazine nr. 220, blz. 22.

[6] Een paar kanttekeningen mogen niet ontbreken. De opnamen die voor het album Jazz at the Kurhaus bestemd waren, werden op 6 april 1953 opgenomen door Gé Bakker van het geluidstechnisch bureau G.T.B. in Den Haag. Hoewel die opnamen van goede kwaliteit waren, bleven ze om onduidelijke redenen ongebruikt. In plaats daarvan koos men ervoor op 21 mei 1953 het Jazz at the Kurhaus-repertoire opnieuw op te nemen. Die herhaling vond plaats in het Rembrandt Theater te Eindhoven. Een regelrechte misser. De man achter de knoppen (Guus Jansen, pianist en organist) had geen enkele affiniteit met jazz. De opnamekwaliteit was bedroevend. De jamsessies werden uitgebracht op twee 25 cm-lp’s op het Omega-label. Na de release bleken ze ook in technisch opzicht teleur te stellen en afkomstig te zijn van banden die niet op de juiste snelheid hadden gelopen. Met als gevolg dat de muziek niet werd weergegeven op de goede toonhoogte en ook de aankondigingen van Pete Felleman sneller klonken dan zij waren opgenomen. Of deze opnamen nog kunnen worden opgelapt kan ik niet beoordelen. Als iemand daartoe in staat is, is het Harry Coster, die gespecialiseerd is in het restaureren van retro-jazz.

Categorieën:Jazz