De donkere kamer van Waterman

Waterman, Willem - portret met boekjes 

Onder de naam Willy van der Heide werd hij populair als schepper van de Bob Evers-jongensboeken. Schimmiger is de rol die Willem van den Hout (1915-1985) alias Willem Waterman in de bezettingsjaren speelde. In zijn satirische radioprogramma De Gilclub mengde hij versluierde Duitse propaganda met de nieuwste Amerikaanse jazz. Werkte Waterman undercover voor het verzet, zoals hij later beweerde? Harm Mobach deed uitvoerig onderzoek.

De Tweede Wereldoorlog is rijk aan merkwaardige geschiedenissen. Daartoe behoort zeker ook de historie van het weekblad De Gil, dat in 1944, toen de kansen voor de bezetter definitief keerden, duizenden lezers plezier liet beleven aan anti-Duitse grappen en stekeligheden over NSB’ers en Landwachters. Want waar kon je in die tijd legaal gedrukt lezen: Wist U hoe Berlijn heel, héél vroeger heette? Groot-Berlijn. Daarna: Berlijn. Nu: Zevenhuizen. Binnenkort: Kuilenburg.

Waterman, Willem - Duitsche uitzending voor EngelandWie wat nauwkeuriger las, zag al gauw dat het in De Gil ging om ‘Galgenhumor onder direct Duitsch toezicht’. [1] De bedoeling was de lezer rijp te maken voor anti-geallieerde propaganda en vooral voor antisemitische beschouwingen. Het blad werd uitgegeven door de Abteilung Aktivpropaganda van het Generalkommissariat, waar elk nummer zorgvuldig werd gecensureerd. Van nummer 4 af werd het blad voor een groot deel volgeschreven door de freelance-publicist W.H.M. van den Hout, toen al bekend onder het pseudoniem Willem W. Waterman en na de oorlog onder andere als Willy van der Heide.

Waterman, zoals ik hem hierna zal noemen, wist door zijn kolderieke schrijfstijl en veelvuldig gebruik van Engelse woorden de oplaag van De Gil in enkele maanden op te voeren tot ver boven de honderdduizend. [2] Zijn presentatie van het blad als ‘Periodiek Verschijnend Orgaan Voor Nuchter Nederland’, spreekbuis van de ‘Uitlaat voor Zuchtende Zielen, Buitenlid van de Abessijnse Kultuurkamer en Zwierende Zwetsers’, sprak een breed publiek aan. Niettemin was het blad – in de bewoordingen van Martin van Amerongen – “fout als de kolere, getolereerd door de Duitse bezetter, pseudo-anti-NSB, maar ondertussen onbekommerd schrijvend over ‘spekjodinnen met hun hangboezems en hun zweetstank’ het tragische feit negerend dat er inmiddels, in 1944, weinig spekjodinnen meer over waren aan wie deze beweringen konden worden getoetst.” [3]

Waterman, Willem - De Gil, nummer 12, pag 4 - van jazz tot swing - zonder onderschrift

De Gil, nummer 12, pag 4

De Gil won nog aan populariteit toen in het tiende nummer een jazzrubriek werd gestart. De redactie werd overspoeld met positieve reacties van ‘swingvrienden’. En het kon nog gekker. Terwijl het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten nog kort tevoren met trots had geconstateerd dat, dankzij de inzet van de Nederlandse Kultuurkamer, ‘…de jazz- en negermuziek in Nederland definitief van de baan is ‘ [4] startte Waterman in juli 1944, uiteraard met goedkeuring van de Duitsers, voor de Hilversumse genazificeerde zender een radioprogramma met jazzmuziek onder de naam Radio Gilclub. Er werd vanaf het begin, vooral door de jeugd, enorm op gereageerd. Ik laat hierover Dick Verkijk (1929) aan het woord, die destijds bijzonder van de Gilclub heeft genoten:

‘Intussen waren het hoogstmerkwaardige uitzendingen. Ze moesten een Amerikaanse indruk wekken en de Duitsers hadden Waterman toestemming verleend de kisten met ‘verboden platen’onder het stof vandaan te halen en naar hartelust een keus uit de inhoud te maken voor zijn programma’s. Ze waren, althans voor de schrijver van dit boek, een openbaring. Als jongetje had hij voor de oorlog nauwelijks bewust naar muziek geluisterd – en dan krijgt hij vijf jaar later ineens klassieke jazz in Dixieland- en New Orleans-stijl voorgeschoteld. Voor het eerst hoort hij Louis Armstrong! Muziek uit het land, waarvan we vurig hoopten dat het ons eindelijk zou bevrijden! Heeft men zich bij de Gilclub gerealiseerd, dat hun uitzendingen averechts zouden werken? Als ze spottend spraken over ‘die negermuziek’, begrepen ze dan niet dat ze zichzelf te kijk zetten als ze daarna die grandioze jazzplaten lieten horen? De Gilclub heeft van het toen 15-jarige hbs’ertje een enthousiast liefhebber van de klassieke jazz gemaakt – en hij is het tot de dag van vandaag gebleven. De ‘slimme’ propaganda is-ie vergeten, heeft hij niet eens tot zich laten doordringen, maar de (Amerikaanse) herkenningstune van de Gilclub kan hij na dertig jaar nog fluiten.’ [5]

Welke tune gebruikte de Gilclub? Dick Verkijk meende zich twee jaar geleden tijdens een telefoongesprek te herinneren dat het WEARY BLUES [6] was. Ik kan hierover niets met zekerheid zeggen want ik heb, hoewel geboren in hetzelfde jaar als Verkijk (1929), nooit één uitzending van de Gilclub gehoord. Ik was weliswaar een fervent radioluisteraar (ik sloeg geen Ramblers-uitzending over, luisterde naar de oorlogszender Calais Calling en dergelijke), maar toen in mei 1943 de radiotoestellen moesten worden ingeleverd betekende dit in ons gezin dat daarna de radio alleen nog uit zijn schuilplaats werd gehaald voor uitzendingen van Radio Oranje en – door mijn vader beluisterde – nieuwsberichten van de BBC Home Service.

Buddingh’
Op dinsdag 5 september 1944 speelden zich in heel Nederland emotionele taferelen af. Het land kon – dachten we – elk moment worden bevrijd van de bezetters. Onder Duitsers en NSB’ers brak paniek uit. Ook Max Blokzijl sloeg op de vlucht. In de gelijkgeschakelde pers mocht hierover uiteraard niets worden gepubliceerd. Maar Waterman hoefde zich daarvan niets aan te trekken. Hij bedacht de alliteratie Dolle Dinsdag. Op 15 september kopte De Gil: GENERALE REPETITIE – DURE LES VAN DOLLEN DINSDAG. Honend haalde Waterman uit naar de autoriteiten (‘labbekakken’ [7] ) die de benen hadden genomen. En spottend kon hij schrijven over een nieuwe radioserie: ‘Ik was er zelf gloeiend bij’ door Max Linoleum.[8]

Na het nummer van 15 september 1944 (nr. 14) werd de uitgave van De Gil overigens gestaakt. Niet omdat het blad werd verboden, maar doordat de propaganda-afdeling van het Rijkscommissariaat, onder de druk van de omstandigheden, naar Apeldoorn verhuisd was en de distributie een probleem opleverde. [9]

Voor schrijver Cees Buddingh’ (al voor de oorlog mede-oprichter van de Dordtse afdeling van de Nederlandse Jazzliga) kwam het laatste nummer nog net op tijd om in aanmerking te komen voor de door Waterman bedachte PROFESSOR GIL-PRIJS, die hij ontving voor zijn gedicht De Blauwbilgorgel [10], inmiddels een klassieker in de Nederlandse literatuur. In oktober 1944 kwam Waterman er in de Radio Gilclub op terug. Zijn presentatrice (Nanda de Marez Oyens) las toen volgens het script [11] de volgende tekst:

‘We beginnen met een reprise. Op verzoek van velen declameren wij voor de radio het waanzinnige vers: “De Blauwbilgorgel”, dat gestaan heeft in GIL nummer 14, onze zwanegil. Hier volgt het: “Ik ben de blauwbilgorgel, Mijn vader was een porgel […]”. [12] Via de 450.000 aansluitingen van de radiodistributie roepen wij den maker van dit vers op zich bekend te maken via De Gil, postbus 2 in Hilversum. Wij stellen er prijs op, hem zijn honorarium uit te keeren. Het is een der meest geniale gedichten, ooit in Holland geschreven. En nu een plaat, een oude goede jazzplaat, gespeeld door de beroemde Miff Mole and his little Molers en getiteld “After you’ve gone”.‘ [13]

De gebeurtenissen op Dolle Dinsdag betekenden voor Waterman dat hij die week niet in staat was zijn Gil-uitzending te produceren. Hilversum was onbereikbaar. Een (toen nog) vriend van Waterman, Wicher Hooite Jager, loste dit probleem op. Hij stelde zijn platen ter beschikking en schreef de teksten voor twee uitzendingen. Omroepster Nanda de Marez Oyens ging met deze teksten naar Hilversum en zo bleef de Radio Gilclub bestaan. Aldus een verklaring van Waterman tijdens zijn naoorlogse detentie.

Geluidsopnamen
Dit brengt mij op de aanleiding tot het schrijven van dit artikel. Op 27 juli 2003 maakte de onvolprezen VPRO radiorubriek OVT een selectie uit geluidsmateriaal, gevonden in een schuurtje in Dordrecht. Opnamen uit de periode 1938-1946, waaronder fragmenten van de Radio Gilclub. Ik kreeg deze via het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid ter beschikking op cd (totaaltijd 16.38). Op deze cd is slechts één fragment van de destijds uitgezonden muziek te horen: het begin van Opus One door het orkest van Tommy Dorsey, opgenomen op 14 november 1944.[14] Waterman kondigt onder de muziek aan: ‘Here it is, man! Another Radio Yelclub!’ Voor het overige bevat de cd uitsluitend gesproken woord. De platen worden wel aangekondigd, maar staan dus niet op de cd. Alle teksten worden gelezen door Nanda de Marez Oyens, een presentatrice die wat geaffecteerd klinkt, maar door Waterman onder meer werd aangetrokken omdat ze het Engels goed beheerste. Ze bediende zich van het pseudoniem Leonie Miller; op de cd noemt ze zich ook Phyllis Miller.

Op de cd worden onder andere de volgende platen aangekondigd: Serenade To A Savage – Artie Shaw; Running Wild en Sleepy Town Parade – Glenn Miller; East Of The Sun – Tommy Dorsey (dit zal de opname van Tommy Dorsey And His Sentimentalists, met Frank Sinatra, geweest zijn, opgenomen 23 april 1940); Just A Mood – Benny Carter (vermoedelijk de opname opgenomen in Londen, eind april 1936); Scatterbrain en King Porter Stomp – Benny Goodman; Flat Foot Flanagan – Harry James (dit had moeten zijn Flatbush Flanagan door Harry James). Als veel gevraagde plaat wordt genoemd Martha, gezongen door Connie Boswell, begeleid door Bob Crosby’s Bob Cats, in mijn discografie vermeld als Ah! So Pure (Martha), opgenomen 13 november 1937. Repertoire van Bing Crosby en de Andrews Sisters werd gedraaid ‘op schier eindeloos herhaald verzoek’.

Reacties van luisteraars
In het door mij geraadpleegde dossier over Waterman zijn veel reacties van zowel enthousiaste als boze luisteraars te vinden. Van een echte jazzliefhebber vond ik een verzoek om opnamen van Red Nichols, Chick Webb, Fletcher Henderson, Coleman Hawkins, Count Basie, enzovoort. Ook trof ik een briefje aan waaruit viel af te leiden dat het programma in oktober 1944 van 21.00 – 21.30 werd uitgezonden. Deze briefschrijver verzocht om Bugle Call Rag nog eens te laten horen en voegde daaraan toe: ‘Een paar weken geleden hoorden wij een paar maten en toen kwam die pokke-marschmuziek als voorbereiding voor Max Blokzijl. Dus voortaan geen goeie platen meer op slag van half 10!’ Uit andere reacties bleek dat de frequentie van het programma wisselde. Er is zelfs een periode geweest waarin de Gilclub per week viermaal een half uur kon worden beluisterd.

Als opmerkelijk verzoek noteerde ik een aanvraag voor ‘de Tiger Rag van de Mills Brothers’, met de toevoeging : ‘Landwachters willen ook wel eens swing horen, dus wat is pro of anti?’

Sommige uitzendingen begonnen met een gedeelte van Rhapsody In Blue, wat leidde tot diverse verzoeken de plaat geheel te draaien. Ook Honky Tonk Train Blues van Mead Lux Lewis werd wel als opener gebruikt.

Veel briefschrijvers hadden problemen met de spelling van titels. Ik las een verzoek voor ‘een monster swingplaat van Cap Celloway’, ondertekend door ‘Een onderduiker’. Ook de aanvraag voor ‘Kou Kou Bookie’ mag niet onvermeld blijven (het was trouwens een strenge winter). De meeste brieven waren niet-leesbaar ondertekend, maar sommige luisteraars vermeldden argeloos hun volledige adres en sloten zelfs een postzegel voor antwoord bij.

Niet iedereen kon uit Watermans satirische teksten afleiden wie hij nu precies op de korrel nam. Zo deed een luisteraar zijn verzoek om ‘een plaat van de Embro Sisters’ (sic) vergezeld gaan van een ontwapenend slot: ‘Zijn jullie werkelijk van de Engelse of van de NSB, dat wil ik graag weten.’ Ook vond ik een brief waarin werd gevraagd om ‘het volume van de zender op te voeren want de bas in big noise komt te zacht door.’ Deze luisteraar doelde ongetwijfeld op Big Noise From Winnetka met bassist Bob Haggart. [15]

Overigens kunnen we de luisteraars hun spelfouten niet echt aanrekenen, want veel titels had men vaak letterlijk alleen maar van ‘horen zeggen’. Dat gold trouwens ook voor Waterman zelf, die Nanda de Marez Oyens regelmatig een programma met ‘zwart gesneden platen’ liet aankondigen. Daarmee werd dan bedoeld dat het ging om repertoire dat gekopieerd was van zenders als de BBC of de AEF (American Expeditionary Forces). Van nieuwe namen wist Waterman soms ook zelf niet hoe die precies geschreven werden. Zo liet hij aankondigen: ‘Eager Beaver, gespeeld door Stan Catton and zyn bende.’ [16]

Tot het laatst toe werd er op de Gil-uitzendingen gereageerd. Een zekere Johnnie schreef: ‘Ik mag lijden dat deze brief niet gecensureerd wordt, want die lui daar vertrouw ik nog minder dan jullie. Enfin jongens, tot hangens…’

Ik vond vrij veel fanmail voor Leonie Miller, die zich doorgaans meldde in typisch Waterman-proza, zoals ‘Hullo Hullo swingfriends and Bing Crosby lovers…this is Leonie-hoe-lang-nog-O-Heer-Miller, met de goede oude Radio Yell Club – Hello, this is Leonie-met-de mooie-benen-Miller – Luisteraars, dit was weer Leonie-hou je-ook-zo-van-Consi-peuken-Miller ‘[17], enzovoort.

Maar enthousiasme voor de gedraaide platen ging in de fanmail vaak gepaard met niet mis te verstaan commentaar op de gebezigde teksten. Uit een brief van 28 november 1944: ‘Wat de politiek betreft, daar zou ik m’n mond maar over houden, want daar kunnen kleine meisjes niet over meepraten […] Verleden week deed je een reuze stomme zet toen je het over de Rooien had! Wij maken ons werkelijk bezorgd over je toekomst (d.i. aan welke boom je komt te hangen). Twee hartstochtelijke Gil-liefhebbers.’

Angst voor ‘de bolsjewieken’ werd er regelmatig ingehamerd. In het script dat volgens een potloodaantekening op 29 maart 1945 is uitgezonden staat: ‘Misschien komt het nog wel eens zoover dat we terug verlangen naar de Duitsche bezetting met programma’s zooals de Gil. Hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt. Overigens zijn wij van mening dat de Rooien moeten worden uitgeroeid. En wij eindigen met een groot of klein stuk van de veel gevraagde en nimmer genoeg gedraaide Good Morning Blues van Count Basie.’ [18]

Aan het eind van een script las ik soms : ‘Stimme in Musik einblenden’ of ‘abblenden’. Kennelijk zat er een Duitser aan de knoppen. Alle Gil-programma’s werden van tevoren op platen opgenomen in de studio van Taubert, hoofd van de Rundfunkbetreuungsstelle. Tijdens een verhoor na de oorlog verklaarde een getuige dat soms gebruik werd gemaakt van ‘magnetoband’.[19] Aan de Gil-programma’s zouden ook leden van de Ramblers en het orkest van Frans Wouters hebben meegewerkt; ik heb teksten aangetroffen die daar op zouden kunnen wijzen. [20] Opmerkelijk is dat Waterman zijn scripts soms typte op de achterkant van briefpapier, bestemd voor het verzenden van geheime berichten en voorzien van het briefhoofd van DER REICHSKOMMISSAR, gevestigd aan de Schimmelpennincklaan 3 te Den Haag.

Waterman, Willem - briefpapier - geheimDan waren er de verzoeken om foto’s van Leonie Miller. Iemand voegde daaraan toe: ‘Of durft u dat niet aan met het oog op de komende eindafrekening? Met de meest gillende hoogachting….’ De aanhef van brieven gaf blijk van sterk uiteenlopende waardering. Die varieerde van ‘Teerbeminde Leonie’, ‘Gil-Lieveling’ en ‘Hoogstgewaardeerde Gil-dame’ tot ‘Uitgestelde Gillijders’, ‘Vervloekte Leentje Molenaar’ en ‘Aspirant Cadavers’.

Curieus commentaar
De teksten die Waterman zijn presentatrice liet uitspreken bleven tot het laatst toe voldoen aan de formule die zijn Duitse opdrachtgevers voor ogen stond: 90% muziek (geen bezwaar tegen jazz, komt luisterdichtheid ten goede) en 10% politiek commentaar waarin ‘Londense propaganda’ diende te worden geridiculiseerd. Omdat Waterman in 1944 uiteraard wel zag dat de kansen op een Duitse eindoverwinning verkeken waren, bestond dit politiek commentaar voornamelijk uit een persiflage op aangekondigde maatregelen tegen landverraders, het signaleren van wantoestanden in de bevrijde gebieden (de term ‘bevrijde gebieden’ passeerde ongehinderd de censuur!) en het belachelijk maken van Radio Oranje. En dat alles gelardeerd met jazz en swing.

Een voorbeeld: ‘We vragen ons af of het nu beslist noodzakelijk was om op Walcheren te landen en een eersteklas veldslag te beginnen, temidden van een vluchtende bevolking. En hier voor ons ligt het volgende zwarte plaatje, met zorg en liefde gesneden. Tommy Dorsey’s arrangement van The Song of India met aan de drums Gene Krupa.’ [21]

Ook de ministers van het kabinet-Gerbrandy in Londen moesten het ontgelden. Van minister Burger (Nanda de Marez Oyens spreekt consequent over ‘minister Burgers’) wordt gezegd: [22]

‘Hij was koopman, advocaat of linke jongen en was naar Engeland gegaan bovenop een dolfijn of zittend op een V-1, maar nu is hij minister af. [23] En dat alleen maar omdat hij durfde beweren dat het volk niet scherp te scheiden was in landverraders en absoluut idealistische patriotten. Nee, zegt minister Van Heuven Goedhart, je bent of een goed vaderlander of een landverrader en een tussenweg bestaat niet. Desnoods gaat de helft van het volk tegen de muur, maar gezuiverd moet er worden. […] Maar nu onze platen. IJlings onze eerste twee platen. Ik heb al weer veel te lang gepraat. En omdat we de laatste weken niets anders hebben gehoord dan het gegarandeerd allerlaatste nummer zwart gesneden, beginnen we deze week met enkele uit de oude-jazzdoos. Wie kende het kleine zwarte pianistje Cleo Brown, the brown girl with the nimble fingers zingt en speelt Breakin’ In A Pair Of Shoes [24] en vlak daarop volgt Jungle Drums van Artie Shaw.’ [25]

Over minister Welter: ‘Wat heeft het volk gedaan om zulke muilezels als minister te krijgen…’. Premier Gerbrandy werd gepresenteerd als ‘de Oppersnor’ en ‘de Hoofdvertegenwoordiger van de Statenbijbel’. Het klinkt als eigentijds satirisch proza, maar Watermans taalvaardigheid werd, zoals hiervoor reeds bleek, ook voor bedenkelijker doeleinden ingezet.

Radio Arnhem
Na de mislukking van de operatie Market-Garden in september 1944 startte de Reichsbetreuungsstelle een zender die zich Mary of Arnhem noemde en die de bedoeling had om verwarring in het geallieerde kamp te stichten. De opzet was geraffineerd. Men maakte gebruik van de zender in Lopik en relayeerde naar keuze drie BBC programma’s (Home Service, Light Programme of Allied Expeditionary Programme).[26] Op een uitgekiend ogenblik schakelde men de BBC-nieuwslezer uit en ging men in voortreffelijk Engels over op eigen nieuws. De inhoud was niet propagandistisch en leek zelfs uit geallieerde bron te komen. De verwarring moest juist komen uit kleine accentverleggingen. Tijdens het Ardennenoffensief werden bijvoorbeeld successen van Engelse legeronderdelen toegeschreven aan Amerikaanse, waarover in de echte geallieerde uitzendingen nog een week is doorgebakkeleid. [27]

Dit alles betekende voor Waterman weer nieuwe werkgelegenheid. Hij maakte voor Radio Arnhem een cabaretprogramma onder de titel Golden Pirate Club; volgens Dick Verkijk deed hij dit met behulp van Engelse, Canadese en Amerikaanse krijgsgevangenen. De onderzoekers Horst Bergmeier en Rainer Lotz vermelden in Hitler’s Airwaves dat ook dit programma werd gepresenteerd door Ferdinanda ‘Nan’ Weckerlin de Marez Oyens als Leonie Miller. En ze voegen er aan toe: ‘This was an all-music programme with plenty of American jazz and current hits.’ [28] Dus kennelijk samengesteld volgens dezelfde formule als de Radio Gilclub.

Op de cd van het Instituut voor Beeld en Geluid is een door Nanda de Marez Oyens uitgesproken tekst vastgelegd die kort voor de capitulatie moet zijn opgenomen en representatief is voor de nationaal-socialistische mentaliteit:

‘Er zijn mensen die zich het hoofd krabben en mompelen: waarom geven de Duitsers het in ’s hemelsnaam niet op. Daar zijn verschillende theorieën over. De meest gangbare die we horen is dat er ergens in Duitsland een geheim wapen bestaat dat zo verschrikkelijk is in uitwerking dat het gebruik ervan pas op het allerlaatste ogenblik is gerechtvaardigd. In geval van uiterste nood dus. Anderen kijken dan ietwat geschrokken en zeggen dat het tijdstip van uiterste nood langzamerhand wel aangebroken schijnt. Een tweede theorie is – en dat is ook de theorie van onze politieke redacteur – dat een volk nooit of te nimmer mag capituleren. Het leven van een volk is namelijk niet afgelopen met het verliezen van een oorlog. Een oorlog is slechts een ontwikkelingsfase in het bestaan van een krachtig volk. En dan treedt in werking het bekende Duitse woord: Was uns nicht umbringt dass stärkt uns. Dat is iets wat de ware burgerman nooit of te nimmer zal begrijpen. En toch is het zo klaar als een klontje: door tegenslagen wordt een volk gehard. Voorspoed daarentegen verzwakt het. Dat hebben wij bitter aan onszelf ervaren. Het is hetzelfde principe, natuurlijke principe, dat de Engelsen zo goed kennen als Darwin’s survival of the fittest. Hetzelfde beginsel dat de boer op zijn land toepast als hij met een zware rol over zijn opkomende planten heengaat. De zwakken worden gedood, maar de sterkeren blijven leven en het gehele gewas wordt krachtiger en sterker. [29] En nu weer een koppel beste platen. Hier is allereerst Benny Goodman’s onvolprezen versie van Scatterbrain, gevolgd door Glenn Miller met de band van de AEF met String Of Pearls.’ [30]

De naoorlogse berechting en ‘zuivering’
Ferdinanda Weckerlin de Marez Oyens, geboren in Batavia in 1918, was de dochter van een in Nederlands Indië werkzame ambtenaar die lid was van de NSB. Hij meldde zijn dochter in 1939 aan als lid van de NSB. Nadat deze in 1940 was getrouwd met een Duitse militair keerde ze zich, volgens haar verklaringen tijdens het strafproces, later af van het nationaal-socialisme en liet ze zich scheiden. Waterman wilde haar graag hebben voor zijn Gil-uitzendingen en maakte haar wijs dat in deze programma’s codes voor de geallieerden verborgen waren. Tijdens het proces werd een verklaring overgelegd van een man die in 1944 in Amsterdam bij haar ondergedoken had gezeten. Ook nam het Tribunaal aan dat ze in 1943 en 1944 werkzaamheden in het belang van de illegaliteit verrichtte. Ze bleef volgens haar verklaring lid van de NSB om makkelijker illegaal werk te kunnen doen. Ze zegde haar lidmaatschap pas op in september 1944 na Dolle Dinsdag.

In zijn uitspraak van 8 april 1946 legde het Tribunaal Nanda de Marez Oyens een internering op van 11 maanden, wat betekende dat ze nog op diezelfde datum in vrijheid werd gesteld. Ze werd namelijk al vanaf 9 mei 1945 in detentie gehouden. Ook werd ze uit het kiesrecht ontzet. Een citaat uit de voorzichtig geformuleerde beslissing: ‘…dat het Tribunaal wil aannemen, dat de beschuldigde bij haar werkzaamheden voor de “Radio-Gil-club” niet het bewustzijn heeft gehad, ten nadele van het Nederlandse Volk te handelen en dat zij in de mening verkeerd kan hebben, dat aan de Radio-Gil-Club nog andere motieven ten grondslag lagen, dan alleen nationaal-socialistische propagand’. Nanda de Marez Oyens overleed in december 2003, 85 jaar oud.

Willem Waterman, in 1915 geboren als Wilhelmus Henricus Maria van den Hout, werd enkele dagen na de bevrijding op 11 mei 1945 in Amsterdam gearresteerd en eind 1948 weer vrijgelaten, zonder dat het tot een strafrechtelijk proces kwam. Hij zat dus drie jaar en zeven maanden in voorarrest en is nooit veroordeeld. Over de reden van zijn vrijlating is veel gespeculeerd. De meest plausibele verklaring lijkt mij vervat in het advies tot vrijlating, gedateerd 14 december 1948, gericht aan het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag: ‘Of verdachte bij eene veroordeling een straf zou krijgen, die met inachtneming der gebruikelijke faveurtjes, zou uitgaan boven de thans in bewaring doorgebrachte tijd, lijkt mij daarom hoogst twijfelachtig.’

Zijn vrijlating maakte het voor Waterman wel gemakkelijker om tegenover iedereen die het maar wilde horen, vol te houden dat hij in de oorlog een uitgekiend spel had gespeeld. Het verhaal dat hij tijdens de verhoren vertelde kwam er op neer dat via de Radio Gilclub illegale codes werden uitgezonden. Opnames moesten soms worden gestaakt, omdat Nanda de Marez Oyens zich niet altijd aan haar tekst hield en in code-berichten uiteraard geen letter mocht worden veranderd. Hij zou zijn werk voor de Gilclub met medeweten en goedkeuring van de Geheime Dienst Nederland hebben verricht.

Maar evenals de hoofdpersoon in W.F. Hermans’ roman De Donkere kamer van Damokles kon ook Waterman zijn Dorbeck niet vinden. De man waarop hij zich beriep – overigens ook een discutabele figuur – verklaarde dat hij nooit een toezegging had gedaan Waterman na de oorlog voor zijn werk bij De Gil te dekken. Dat het desondanks niet tot een veroordeling kwam was uiteraard een opsteker die Waterman zich niet liet ontgaan. Hij kon zich presenteren als de man die te veel wist van het oorlogsverleden van bekende Nederlanders.

Waterman had na zijn vrijlating nog wel te kampen met een uitspraak door de Commissie voor de Perszuivering, die hem op 27 april 1948 had verboden tot 5 mei 1965 als journalist werkzaam te zijn. Deze beslissing betekende een uitsluiting van twintig jaar. Vooral zijn werkzaamheden voor de Einheit Gerlach [31] werden hem zwaar aangerekend. Na zijn vrijlating wist zijn advocaat met hulp van getuigen te bereiken dat de termijn van twintig jaar werd teruggebracht tot tien. De Raad van Beroep voor de Perszuivering achtte in zijn uitspraak van 30 december 1949 ‘niet bewezen dat Van den Hout aan de radio de Duitsche propaganda heeft bevorderd. Evenmin is bewezen dat hij anti-geallieerde brochures zou hebben geschreven.’

Zo’n rechtsoverweging lees je met verbazing. Dat Waterman gedurende de oorlogsjaren een zeer ijverige, multi-inzetbare medewerker was van de genazificeerde omroep, kwam eenvoudigweg niet aan de orde. In het dossier dat ik inzag bij het Nationaal Archief te Den Haag vond ik verzoeken van de omroepleiding aan Waterman om tekst te leveren voor klankbeelden als: Hoera, het tweede front, De legende van de Amerikaanse democratie, enzovoort. [32] Ook kreeg hij bijvoorbeeld een verzoek tot vervaardiging van ‘teksten welke passen in het kader van de actie “Met Duitschland voor een nieuw Europa” en “Met Duitschland voor een vrij Nederland”. Het zijn maar enkele voorbeelden, die met vele zouden kunnen worden vermeerderd.

De zuiveraars hadden er hoe dan ook geen boodschap aan: op 5 mei 1955 was Waterman weer gerechtigd zijn journalistieke bezigheden te hervatten. De liefhebbers van de Bob Evers-verhalen hebben van Willy van der Heides tijdelijke werkloosheid overigens geen last gehad. Al tijdens zijn hechtenis schreef Waterman de eerste deeltjes van wat zou uitgroeien tot een enorme Bob Evers-serie, jongensboeken met titels als Trammelant op Trinidad en Pyama-rel in Panama, waarvan er miljoenen zijn verkocht.

Ik heb Waterman niet persoonlijk gekend maar wel ‘meegemaakt’, bij klarinettist Peter Schilperoort thuis en op de Haagse Jazz Club. Waterman was een onconventioneel, vrijgevochten figuur, die alleen al door zijn taalgebruik de aandacht op zich vestigde. Ook de practical joke was hem niet vreemd. Bassist Eddie Hamm herinnert zich Watermans binnenkomst tijdens een feestavond van de Dutch Swing College Band in Gaillard te Den Haag. Hij kwam daar als douchecel; hijzelf stond in de cel en wanneer er een dame met hem danste werd het gordijn dichtgetrokken.[33]

Watermans vriendschappelijke betrekkingen met de Dutch Swing College Band kwamen rechtstreeks tot uiting in deel 26 van de Bob Evers-serie, Stampij om een schuiftrompet, waarin de helden Jan Prins, Arie Roos en Bob Evers dolle belevenissen met het orkest doormaken. Op de voorlaatste bladzijde van het boek staat in facsimile een handgeschreven briefje afgedrukt:’Als herinnering aan een uniek avontuur met Jan, Bob en dikke Arie, Peter Schilperoort.’

Typerend voor Waterman is het slot van een brief die hij in 1973 aan Peter Schilperoort schreef: “Meest hartelijke groeten aan je moedige vrouw (de wijven die ons trouwen verdienen een apart soort decoratie). Beste wensen en groeten voor een lang en lallend leven.”[34] Dat laatste was hemzelf niet gegund. Willem van den Hout stierf in 1985 aan een verwaarloosd hartinfarct. Hij werd 69 jaar.

Met dit verhaal is bij lange na niet alles over De Gil en de Radio Gilclub verteld en nog minder over Waterman met zijn vele aliassen. Voor een biograaf ligt hier nog een omvangrijke taak. Wel is mij duidelijk geworden dat er, wat de geschiedenis van de jazz voor de Hilversumse radio betreft, geen interessantere periode is geweest dan die van juli 1944 tot mei 1945.

Harm Mobach

Dit artikel is gepubliceerd in Jazz Bulletin, nr. 57 (oktober 2005), uitgegeven door de Stichting Nederlands Jazzarchief, Piet Heinkade 5, 1019 BR Amsterdam.

De tekst blijkt zonder de voetnoten ook op internet te lezen via de Gil – Marie José van den Hout. Deze incomplete weergave wordt als inbreuk op het auteursrecht gezien. Ook het tijdschrift Wereld in Oorlog maakte zich hieraan schuldig door het artikel in 2015 zonder de noten te publiceren.

NB: Integrale overname is mogelijk na voorafgaande akkoordverklaring door de redactie van Jazz Bulletin.

[1] Kop van een artikel in de illegale krant Het Parool (25 mei 1944), waarin tegen De Gil werd gewaarschuwd.

[2] Volgens Koos Groen zou de oplaag zelfs ongeveer tweehonderdduizend exemplaren hebben bedragen. Koos Groen, Landverraad: de berechting van collaborateurs in Nederland, Unieboek b.v., 1984, blz. 208. Anderen houden het op honderdvijftigduizend.

[3] Martin van Amerongen, Fan, boekbespreking in De Groene Amsterdammer, 15 september 1993. Waterman heeft tijdens zijn detentie getracht te ontkennen dat het artikel O, die Heerlijke Joden!…. (De Gil nr. 4) door hem werd geschreven, maar toen hem werd voorgehouden dat het op dezelfde machine was getypt als die gebruikt werd voor de door hem verzorgde postbusrubriek, staakte hij op dit punt zijn verweer.

[4] Kees Wouters, De angst voor het ‘onbeschaafde’ (deel 3), NJA Bulletin 24, blz. 27.

[5] Dick Verkijk schreef dit in 1974. Dick Verkijk, Radio Hilversum 1940-1945, De Arbeiderspers, 1974, blz. 713.

[6] Dit zou de uitvoering geweest kunnen zijn door Tommy Ladnier and his Orchestra met o.a. Sidney Bechet, opgenomen 28 november 1938.

[7] De term ‘labbekakken’ werd nadien nog regelmatig in de programma’s van de Radio Gilclub gebezigd.

[8] Zie Verkijk t.a.p., blz. 648. Blokzijl had een brochure geschreven, getiteld: “Ik was er zelf bij”.

[9] Gerard Groeneveld, Nazi-satire als trefzekere propaganda, de Volkskrant, 16 september 2000.

[10] Hoe Waterman vermoedelijk aan het gedicht kwam is een verhaal apart. Zie het nawoord van Wim Huijser bij C. Buddingh’, Alle gorgelrijmen, De Bezige Bij, 2003 en Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie, deel 3A: De kleine collaboratie, De arbeiderspers, 1990, blz. 136.

[11] Met andere scripts van de programma’s van de Radio Gilclub aangetroffen in het dossier t.n.v. W.H.M. van den Hout, Nationaal Archief, Den Haag.

[12] De dan volgende tekst is gelijk aan die van de gedrukte Gil, nr. 14. Voor de kenner: ‘knezidon’ werd ‘kneridon’ en in de ‘Waterman-versie’ werd ‘Ga heen! Ga heen! Ga heen’ verhaspeld tot ‘Rabeen, Rabeen, Rabeen!’

[13] Nu de ‘oud-blank’-specialist Frits Hotz niet meer kan worden geraadpleegd val ik terug op Tom Lord’s Jazz Discography op cd-rom. Gedacht kan worden aan een versie van 24 september 1929 met o.a. Phil Napoleon (tpt). Er is een vocale versie bekend van Sophie Tucker, acc. by Miff Mole’s Molers , gedateerd 11 april 1927. In de aankondiging wordt overigens niet over een zangeres gesproken.

[14] Waterman kon het nieuwste in Amerika en Engeland verschenen repertoire laten horen, doordat hij die van radio-uitzendingen kopieerde. Zie ook hierna.

[15] Aan het script, gedateerd woensdag 4 oktober 1944, ontleen ik de volgende tekst: ‘…Maar het wordt hoog tijd voor een plaat. En ditmaal is het dat overbekende nummer van Bob Crosby’s Bobcats: The Big Noise from Winnetka. Weten alle Swingclubleden hoe die naam ontstaan ontstaan is? Toen Bob Crosby en zyn orkest optraden, hadden zy dat nummer op hun avondprogramma staan en elken avond kwam er een stel studenten uit het plaatsje Winnetka in de buurt stampen en fluiten op de tribune. Na verloop van tijd kreeg het nummer de naam The Big Noise from Winnetka en this name stuck. […] Let op het gedeelte in de bassolo van The Big Noise waarin door Ray Bauduc, de drummer, met zyn sticks op de snaren van de bas wordt gedrumd!” In een andere uitzending draaide Waterman Big Noise op verzoek van ‘zijn vrienden van de Haagsche Rhythm Club’.

[16] Eager Beaver werd door Stan Kenton and his Orchestra in 1943 driemaal op de plaat vastgelegd.

[17] Consi was de naam van de surrogaatsigaretten in de oorlogsjaren. Ik herinner mij een raadseltje dat de stemming erin moest houden. Wat betekent CONSI? Antwoord: Churchill Overwint Na Sicilië Italië.

[18] Waarschijnlijk de uitvoering van 9 augustus 1937 met een vocal van Jimmy Rushing.

[19] De Duitsers beschikten reeds tijdens de oorlog over taperecorders.

[20] Blijkens een ongedateerd script werd een vocal group (‘de High Yellers’) geïntroduceerd door ‘Swing Sally Silver, het meisje met de zuiver zilverkleurige haren’. Zij kondigde een uiteenzetting aan over ‘de beginselen van band-samenspel’. Er werd gemusiceerd door ‘een sextet met string bass, guitaar, drum en piano in de rhythm section’. Op het repertoire stonden onder andere Blue Skies en I‘ve Found A New Baby. In het script ontbreekt de afkondiging.

[21] Vermoedelijk was dit de opname van 29 januari 1937, zonder Gene Krupa maar met Dave Tough.

[22] Het nu volgende citaat is vastgelegd op de cd van het Instituut voor Beeld en Geluid.

[23] Minister Burger moest aftreden naar aanleiding van een voor radio Herrijzend Nederland op 14 januari 1945 gehouden toespraak, waarin hij waarschuwde tegen excessen bij de zuivering. Zie hierover uitvoerig Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10a, tweede helft, blz. 927-943.

[24] Opname: Los Angeles, 20 november 1938.

[25] Aangenomen kan worden dat gebruik is gemaakt van de studio-opname, vastgelegd in New York, 10 december 1938.

[26] Voor een compleet uitzendschema, zie Horst J.P. Bergmeier en Rainer E. Lotz, Hitler’s Airwaves, The Inside Story of Nazi Radio Broadcasting and Propaganda Swing, Yale University Press – New Haven & London, 1997, blz. 228 e.v.

[27] Zie hierover uitvoeriger Dick Verkijk, blz. 710.

[28] Bergmeier en Lotz, Hitler’s Airwaves, blz. 233

[29] Nergens heb ik zinnen aangetroffen waarin Waterman de nationaal-socialistische filosofie zo duidelijk verwoordt. Ze lijken wel geïnspireerd op de kersttoespraak die Hitler eind 1940 hield voor de Leibstandarte der SS, waarin de Führer zijn gehoor ‘diesem einfachen Gebot” voorhoudt: “Vogel, frisz oder stirb, setze dich durch oder werde vernichtet … diese Vorsehung kennt keinen leeren Raum …sie ist nicht barmherzig … sie proklamiert, dasz diese Erde nur dem gehören soll der sie verdient, der tapfer ist, der mutig ist und dasz der andere zu gehen hat … und wenn ein Volk erklärt, nicht mehr kämpfen zu wollen, dann beseitigt es nicht die Kriege, sondern nur sich selbst…” Ontleend aan het tekstboekje bij de dubbel-lp DEUTSCHLAND IM II. WELTKRIEG, Ariola-Athena 71 082 XW.

[30] Met dit fragment van een aflevering van de Radio Gilclub besloot Bert Vuijsje een special over de lotgevallen van de Nederlandse jazz in de oorlogsjaren, uitgezonden 17 juli 2005 op Radio 4, 4FMjazz, rubriek Jazzkotabel.

[31] De Einheit Gerlach was een Wehrmachtsdrukkerij die zich bezig hield met het verspreiden van pamfletten onder geallieerde soldaten met de bedoeling de troepen in bevrijd gebied te demoraliseren.

[32] De contracten stonden soms op een andere naam (de pseudoniemen van Waterman vormen een studie op zich), maar daar werd dan in inkt ‘W.H.v.d.H.’ naast geschreven.

[33] Arie van Breda, “100 Jaar” Jazz in Den Haag, Uitgeverij ‘De Nieuwe Haagsche’, 2000, blz. 338.

[34] Kaageiland, Column Henk Bergman op internet.

[33] Arie van Breda, “100 Jaar” Jazz in Den Haag, Uitgeverij ‘De Nieuwe Haagsche’, 2000, blz. 338.

[34] Kaageiland, Column Henk Bergman op internet.

Categorieën:Jazz