Toespraak ‘100 jaar’ Jazz in Den Haag

Tekst toespraak Harm Mobach bij aanbieding boek
“100 jaar” Jazz in Den Haag door Arie van Breda
in Koninklijk Conservatorium Den Haag (december 2000)

Breda, Arie van - portret zwart-wit jonger platenkast

Arie van Breda

Arie, het is een belangrijke dag voor je. Je bent 10 jaar bezig geweest om verslag te doen van 100 jaar jazz in Den Haag en het resultaat ligt nu tastbaar voor ons. Een aantal van de hier aanwezigen heeft er enig vermoeden van hoeveel werk daarvoor is verzet. Het is te meer een bijzondere prestatie omdat je, ook toen het onzeker was of het boek wel zou worden uitgegeven, gewoon bent doorgegaan met het verzamelen van gegevens. Dat is nu typisch Arie van Breda: gewoon doorgaan, ook als het tegenzit. Een onmisbare eigenschap als je je aan een project als dit waagt.
Arie, je hebt je niet alleen door stapels kranten, tijdschriften, bijna 30 jaargangen clubblad Haagse Jazz Club en andere paperassen heengewerkt, maar je hebt – zoals je zelf al aangaf – ook geput uit mondelinge informatie. Veel van die bronnen zijn hier vanmiddag lijfelijk aanwezig.

Dames en heren. Mocht u niet in de hoofdtekst staan, dan vindt u zichzelf hoogstwaarschijnlijk wel terug in een voetnoot of op een foto, want neemt u maar van mij aan dat de auteur grondig tewerk is gegaan.
Daarmee kom ik dan vanzelf op de omvang van het boek: meer dan 600 pagina’s met 339 foto’s; in ‘digitaal’ uitgedrukt 2 gigabyte. Om het in de stijl van de dit jaar overleden Pete Felleman te zeggen: een lange leidraad door de Haagse jazzhistorie; een richtsnoer dat mocht uitgroeien tot weinig minder dan een ware wegwijzer…. Een aanvankelijk bescheiden bedoeld boekwerk dat allengs evalueerde tot een imponerende foliant, een felle aanrader voor fans en fanatici…
Maar toch even ernstig verder. Het belang van het boek ligt in het geordend vastleggen van allerlei aan jazz gerelateerde activiteiten in en rondom Den Haag in de 20e eeuw. Van evenveel belang daarbij is dat de namen van vele daarbij betrokkenen letterlijk aan de vergetelheid zijn ontrukt.
Arie, je hebt gegevens opgespoord over musici, waarover destijds niets of nauwelijks iets werd gepubliceerd (je noemde er zelf al enkele). De lezers kunnen zich daarvan straks zelf overtuigen en daarbij ook vaststellen dat je bij het vermelden van de activiteiten van die bijna vergeten orkesten en groepen tot in de finesses bent afgedaald. Zo zie je maar, je kunt ook detaillist zijn, zonder kruidenier te wezen…. Ik teken hierbij nog aan dat je je in principe van waardeoordelen hebt willen onthouden, maar toen het beleid van het gemeentebestuur van Den Haag ter sprake kwam, heb je je – gelukkig! – niet kunnen inhouden.

Dames en heren, de verslaglegging van 100 jaar jazz in Den Haag is ruim geïnterpreteerd en begint al vanaf het moment dat zwarte Amerikaanse musici voor het eerst in ons land optraden. Zo contracteerde Koning Willem III in 1877 The Fisk Jubilee Singers, aangekondigd als voormalige negerslaven. Ze traden ook op in Den Haag en bij die voorstelling maakte de recensent van de Katholieke Illustratie enkele kanttekeningen. Het had de criticus getroffen, dat het koor een voorkeur had voor vierkwartsmaat en – zo staat het er echt – hem was ook het bewegen van hun bovenlijven opgevallen….
Nog iets memorabels. In het najaar van 1926 gaf The Black People Revue 14 voorstellingen in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Het begeleidende 8-mans orkest bij deze revue stond – zo schreef men – onder leiding van de heer Bechet, en dan gaat het natuurlijk over Sidney Bechet. Arie van Breda citeert dan uit het Haagsch Maandblad: ‘Deze door den Duivel van het bandeloze rhythme bezeten semi-nikkers gaven de moderne dansen te zien zoals ze eigenlijk zijn: pornografische muziek van een jazzband. De dansparen werden aangezet – ik citeer nog steeds – “tot oerinstincten en paringsdolheid”. ‘ In een ingezonden stuk in het Vaderland spreekt een lezer de hoop uit dat de danseressen zoveel zullen verdienen in Nederland dat ze zich na afloop behoorlijk kunnen kleden om – let op! – ‘het vege lijf te dekken.’…

Kostelijk in het boek zijn ook twee coupletten uit een veel langer gedicht van Jan Greshoff. Onder het motto ’Rammelkast Rommelpot’ formuleert Greshoff zijn afkeer van de radio, en ik citeer het slot:

Vindt iemand tijd en lieve lust
Voor ’t minnespel, nu naast het bed
Een kwebbelkast is neergezet?
Fij, vader die uw kroost gewon
op ’t ritme van Duke Ellington

Daar kan Jules Deelder nog wat van leren…

Aan de oorlogsjaren 40-45 is een apart hoofdstuk gewijd. Bij de behandeling daarvan is mede gebruik gemaakt van het proefschrift van Kees Wouters: ‘Ongewenschte muziek’, een boek dat een must is voor wie die tijd bewust heeft meegemaakt. In de begintijd van de bezetting was op het gebied van jazz en amusementsmuziek nog van alles mogelijk, maar later werd dat moeilijker en ten slotte verboden. Arie van Breda heeft een repertoirelijstje van de Swing Papa’s weten te achterhalen, en geeft een opsomming van titels die werden vernederlandst of verduitst. De Swingpapa’s hadden zich omgedoopt tot ‘De Slingervaders’ en een classic als It don’t mean a thing if it ain’t got that swing werd aangekondigd als ‘Je hebt het of je hebt het niet’.
Lady Be Good werd aangekondigd als ‘meisje, wees lief’ en ik voeg daar nog aan toe dat Kees Wouters in zijn proefschrift vertelt over een door de legendarische Dolf Dienske in de Kurzaal georganiseerd concours voor dansorkesten Hij kondigde Lady Be Good aan als Fräulein, sei süsz. Dit leidde tot oorverdovende bijval uit de zaal. NSB-ers signaleerden, zoals dat toen heette, ‘een Engels gefluit’ en een ‘Engels applaus’. De volgende dag plakten WA-mannen op de ruiten van het Kurhaus biljetten, met de tekst: ‘Hier heerst de Engelse ziekte’.
Arie van Breda laat de inmiddels overleden Henk Kervezee, alias Henk Laurens, vertellen over een klandestien muziekfeestje in Scheveningen. Door verraad werd dit verstoord door WA-mannen en de toen 14-jarige pianist Paul Ruys werd gearresteerd. Hij moest zich de volgende dag op het gemeentehuis melden, maar kwam verder met de schrik vrij en later was dat trouwens ook steeds het geval…

De ondertitel van het boek luidt: ‘Den Haag het New Orleans van de lage landen’. Wie stonden wat die New Orleans Jazz betreft na de oorlog aan de bakermat? Dat waren in alfabetische volgorde: Roefie Hueting, Eric Krans, Peter Schilperoort en Aart Steffelaar. Van de genoemden is alleen Roefie Hueting nog in leven en daarom vind ik eigenlijk dat hij – als de nestor onder die orkestleiders – hier ook op het podium had moeten staan.
Maar dit doet natuurlijk niet af aan mijn waardering voor de aanwezigheid van de Reunion Jazzband, waarvan ik één lid ook speciaal wil noemen: klarinettist en sopraansaxofonist Dim Kesber. Hij maakte vrijwel vanaf het begin deel uit van de Dutch Swing College Band en is nu al zo’n 30 jaar verbonden aan de Reunion Jazzband.

De geschiedenis van de Haagse Jazz Club wordt vanaf 1946 met alle ins en outs uit de doeken gedaan. Bij het doorbladeren van de drukproeven dacht ik: wat hebben we elkaar afgemat! Daar komt bij dat de discussies destijds niet altijd even zindelijk werden gevoerd. Maar dat bleek uiteindelijk niet ernstig. De door de latere hoogleraar economie, Jan Pen, in een artikeltje gestelde vraag: ‘Moet dat gebop doorgaan?. is inmiddels op bevredigende wijze door musici beantwoord….
Met veel plezier las ik het een en ander over de Haagse gramofoonplatenzaken waar men destijds voor jazz terecht kon. De meest aparte was Muziek Smith, geleid door Jascha Trabsky, een kleurrijke figuur. De bekende journalist en chroniqueur Lex Dalen Gilhuis, helaas overleden, citeert in zijn bijdrage wijlen Henny Weijn, die ook een tijdje tot de verkoopstaf van Trabsky behoorde. Muziek Smith was – zo zegt hij – een zaak met een eigen identiteit. Boven de kassa hingen regelmatig borden met inventieve teksten als: “bij het betalen van vijf gulden kunt u meegenieten van het snorren van ons kasregister”. Ook deze: “Wij wensen u een gelukkig 1960. Bij aankoop van artikelen boven 25 gulden wensen wij u tevens een goed 1961”.

Een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd aan Jazz in Pepijn dat zo’n 23 jaar heeft bestaan. Wim van Woerkens en zijn toenmalige vrouw Geertje zorgden voor jazz op hoog niveau. In 1993 was het afgelopen. Ambtenaren waren tot de ontdekking gekomen dat jazz in Pepijn niet meer vernieuwend was.
Er is alle aanleiding dit toverwoord ‘vernieuwend’ nog eens te noemen, want ook nu biedt dit de overheid, in een tijd dat er voor van alles geld teveel is, de mogelijkheid om goed lopende activiteiten de nek om te draaien. Wim van Woerkens heeft voor zijn jarenlange werk overigens nooit enige erkenning gekregen van de Gemeente Den Haag.
Wat het heden betreft kunnen we – met Bert Jansma aan het slot van het boek – vaststellen dat wie zegt dat Den Haag maar drie dagen per jaar een jazzstad is, natuurlijk ongelijk heeft. Het North Sea Jazz Festival is een publiekstrekker met een eigen karakter. De betekenis die de jazz in Den Haag heeft wordt in belangrijke mate bepaald door activiteiten van docenten en leerlingen van het conservatorium.
Ik weet dat het noemen van een naam steeds betekent dat je anderen overslaat, maar ik doe het toch: Frans Elsen is de grondlegger van de jazzafdelingen aan de Nederlandse conservatoria en hij is al jaren verbonden aan het Koninklijk conservatorium waar we ons nu bevinden. Hij heeft met zijn collega-docenten voor de jazz in Nederland bijzonder belangrijk werk gedaan. Inmiddels heeft Frans Elsen de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar dat betekent niet dat hij heeft afgehaakt. Ondertussen zijn diverse oud-studenten als docent aan een conservatorium werkzaam en staat een nieuwe generatie oud-leerlingen klaar de taak van de pioniers over te nemen.
De huidige conservatoriumstudenten en hun docenten zijn in Den Haag te horen in tal van lokaliteiten, zoals Murphy’s Law, de Regentenkamer, het Zeeheldentheater Prospero, de Posthoorn, café de Pater, enzovoort. Andere lokaties waar soms jazz is te horen, zijn onder andere de Tobbe in Voorburg en de Anton Philipszaal. Hopelijk zal ook het festival op het Voorhout weer doorgang kunnen vinden.
Dit lijkt nog wel wat, maar waar het om gaat is – en dan zeg ik het ongeveer in de bewoordingen van Bert Jansma in het boek – dat Den Haag een jazzclub krijgt waar je altijd terecht kunt, een kernpodium waar musici en luisteraars dat ondefinieerbare klimaat aantreffen waar jazz gedijt. Immers, zonder een structureel jazzpodium is de jazz overgeleverd aan de economische wetten. Muzikanten spelen graag. En wie plezier heeft in z’n werk behoeft – zo wordt gedacht – nauwelijks te worden betaald. Jazzmusici spelen nog steeds voor honoraria van niks. En met de nieuwe belastingwetgeving die over een kleine drie weken ingaat, krijgen zowel beroeps- als amateurmusici het alleen nog maar lastiger.
Ik dreig nu af te dwalen. Ik onderstreep nog eens de in het boek uitgesproken wens dat de jazzclub Pannonica er nu eindelijk eens komt. Udo van Boven en zijn commissie hebben daar veel werk voor verzet, maar het resultaat lijkt op dit moment verder weg dan ooit. Vroeger maalden ambtelijke molens nog langzaam, nu staan ze stil of de beambten lijken er zelf een tik van te hebben gekregen… Mijn conclusie: voorlopig nog geen licht aan het eind van de tunnel.
Maar voor het overige: Arie, zeer bedankt en aan jou heeft het niet gelegen! Ik hoop trouwens dat ook het Haagse gemeentebestuur je boek leest.

Nog een enkel woord tot de uitgever, de heer van der Toorn van de Nieuwe Haagsche. Dat u een boek van deze omvang over jazz uitgeeft waarderen wij zeer. U behoort duidelijk niet tot de uitgevers die meer denken aan hun inkomsten dan aan hun uitgaven. Toch zit er, bedacht ik, aan het boek toch nog een interessant zakelijk aspect. Het register bevat meer dan 3000 namen. Wanneer maar de helft van de genoemden of hun nabestaanden tot aanschaf overgaat, bent u ongetwijfeld uit de kosten… Hoe dan ook, zeer bedankt.

Mevrouw Sylvia Toth,
Bij de presentatie van een boek kan het soms anders lopen dan verwacht. Zo bood Frits Bom ooit een lijvig boekwerk aan, aan Drs. den Uyl. Welk jaar ben ik vergeten. Den Uyl reageerde koeltjes met: ‘Als het allemaal waar is wat er in staat, lijkt het me een nuttig boek’. Die koude douche staat de auteur vanmiddag niet te wachten, want de voldoening die alleen al het bladeren in dit boek schenkt, is van louter immateriële aard. En dat weet u, anders was u er niet aan begonnen. U houdt van Den Haag, u houdt van jazz, en u zag wat in dit boek en in de schrijver.
Er was iemand die zei, toen hij de uitnodiging voor deze middag binnenkreeg: ‘Aanbieding aan mevrouw Sylvia Toth? Die kan het toch zélf wel betalen!’ Welnu, die man begreep het maar gedeeltelijk. U kúnt het niet alleen betalen, maar u hééft het ook betaald. Auteur, uitgever en lezers zijn u zeer erkentelijk dat u dit boek in deze vorm mede mogelijk hebt gemaakt.

Breda, Arie van & Sylvia Toth - boekpresentatie - zonder onderschrift

Sponsor Sylvia Tóth tegen auteur Arie van Breda : “We zullen je voortaan Arie van Den Haag noemen”.

Categorieën:Jazz