Lichtvoetige kanttekeningen bij het fiscale labyrint

Fokke en Sukke rillen van ontzag

Lichtvoetige kanttekeningen bij het fiscale labyrint

Bron: 40 jaar Cursus Belastingrecht – Tribuut aan Leno Sillevis en Nico de Vries – Kluwer-Deventer 2010

Mr. H. Mobach[1]

Jarenlang verzorgde ik belastingaangiften. Met begrippen als maritale verliescompensatie en tante-Agaathregeling had ik geen enkele moeite. Ook voetoverheveling kon mij niet op het verkeerde been zetten. Intussen zijn al die termen weer door soortgelijke dieventaal vervangen. Bladerend in de toelichting bij het aangiftebiljet Inkomstenbelasting constateerde ik dit jaar met voldoening dat ik niets te maken heb met (aanvullende) combinatiekorting, bijleenregeling en kwijtschelding van durfkapitaal, maar die tevredenheid duurde maar kort. Ik zie wel in dat – om maar iets te noemen – het drempelinkomen van mijn fiscale partner van belang is (en wie weet straks ook het verzamelinkomen van mijn voorvaderen), maar het woud van invulhokjes, afgewisseld door ja/nee-dilemma’s, wekt toch vooral weerstand op. De belastingbetaler zonder computer is bij voorbaat nergens. Toch blijkt alles er op te zijn gericht het opleggen van aanslagen volautomatisch te laten verlopen. Over een ‘klantgerichte benadering’ horen we niets meer. Het meesturen van bijlagen bij de aangifte heeft al enkele jaren geen zin meer, want de gedigitaliseerde belastinginspecteur kan uiteraard geen teksten lezen. Voor inlichtingen is men aangewezen op de belastingtelefoon. Dat kan, zoals ik mocht ervaren, tot een omslachtige procedure leiden. Voor de telefonist(e) blijkt slechts een beperkte taak weggelegd. Zo mocht mijn gesprekspartner mij niet doorverbinden met de Belastingdienst waar ik onder val. De werkwijze bleek zo geregeld dat de belastingtelefonist contact opneemt met de Belastingdienst waaronder de beller ressorteert. Die lokale Belastingdienst bepaalt vervolgens dag en – bij benadering – het tijdstip waarop men de naar informatie hunkerende burger telefonisch zal benaderen. Dit wordt de belastingplichtige vervolgens weer via de belastingtelefoon meegedeeld. Zo stelt de fiscus zich zo lang mogelijk als anonieme autoriteit op.
Het is overigens niet mijn bedoeling de lezers te vermoeien met persoonlijke ervaringen bij het indienen van belastingaangiftes. Wel bracht het bijeenschrapen van fiscaal relevante gegevens – een vreugdeloze bezigheid – mij op de gedachte mijn Bommellexicon [2] en de Verzamelde Werken van de meester er nog eens op na te slaan, want het jargon van de ambtenaar eerste klasse Dorknoper komt mijn stemming ten goede.

´Juist´, sprak de heer Dorknoper, volgens ambtelijk voorschrift met de deur in huis vallend. ´Uw belastingafhandeling is geproblematiseerd door het terugkoppelen van de ambtenaarstoeslagen. Dat heeft tot chaotisering geleid, zodat we nu in een beslissingsmoment geraakt zijn.[3] De heer Dorknoper liet intussen de papieren in de gleuf glijden die naar de ambtelijke molen voerde.[4]

‘U begrijpt me niet’, zei de heer Dorknoper geduldig. ‘Het gaat om de inkomensverhoudingen, die aan een grotere eenvormigheidsnivellering onderworpen zullen worden, zodat het differentiepotentieel adaptief-konkordant wordt.’[5]

“Ik schreeuw niet!’ tierde heer Ollie. ‘Ik heb alle recht, bedoel ik! Het recht van een heer!’ ‘Heerlijkheidsrechten’, mompelde de beambte. Hij keerde zich om en trok weglopend een notitieboekje uit zijn zak. ‘Die zijn afgeschaft’, sprak hij al schrijvend.[6]

U hebt waarschijnlijk abusievelijk gekalendeerd’, vervolgde de ambtenaar streng. ‘Er is tenminste niets monetaristisch ontvangen. Ik geef u nog drie dagen; dat is genoeg zorgbreedte.’[7]

‘Dat is juist’, verduidelijkte de beambte. ‘Door die extra verdiensten bent u uit de belastbare top gesprongen.’ ‘Wat betekent dat?’ vroeg heer Bommel ongerust.
‘Dat betekent’. hernam de ander, ‘dat u meer belasting moet betalen dan uw inkomen bedraagt. De voorschriften zijn erg stipt op dat punt.’[8]

Verpakkingenbelasting

In mijn bijdrage aan de Nico de Vries Bundel[9] betoogde ik aan de hand van voorbeelden dat de huidige belastingwetgeving en daarmee samenhangende jurisprudentie niet wezenlijk verschilt van die in het verleden. Het zijn hoofdzakelijk de onderwerpen die zijn gemoderniseerd. Opvallend daarbij is dat de specifieke vragen die een fiscale regeling oproept zelden tot een versimpeling leiden, maar vrijwel steeds tot verdere verfijning. Zo vroeg ik aandacht voor de Wet op de personele belasting, die in de 19e eeuw een grondslag ‘dienstboden’ kende met een vrijstelling ‘wegens het houden van bakers en zoogende minnen’. Droge minnen vielen er dus buiten. Ik citeer uit het door mij geraadpleegde handboek:[10] ‘De wet stelt alleen ‘zoogende’ minnen vrij. Dit verdient – aldus het Voorlopig Verslag – de voorkeur, omdat er ook drooge minnen zijn, die zeker niet vrijgesteld behoren te worden, omdat het hier dikwijls vertering van weelde betreft.’ Dan denk ik onwillekeurig terug aan de inventieve staatssecretaris Vermeend die destijds verordonneerde dat digitaal afgestelde babyluiers, welke bij een bepaalde vochtigheidsgraad een alarm doen afgaan, voor de omzetbelasting dienen te worden gesplitst in een flanellen gedeelte inclusief snoertjes (verlaagd tarief) en een plaswekker (normaal tarief).
Gelukkig beschikken we in de Hoge Raad over een college dat zonder aarzeling ingrijpt als zich een wezenlijk probleem aandient. In BNB 1991/304[11] ging het om de brandende vraag of een crypto (een in snackbars verkrijgbare geheimzinnige lekkernij) net als de kroket onder het verlaagde tarief voor de omzetbelasting viel. Het hof vond van niet. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en overwoog onder andere: ‘De omstandigheid dat de crypto, anders dan de croquet, niet rolvormig is, dient voor de omzetbelasting geen gevolgen te hebben.’
De reikwijdte van dit standpunt lijkt nog overzienbaar. Maar de vraag rijst wel of de   rolvormigheid van een artikel in de fiscale wetgeving voortaan een rol (sic) zal gaan spelen. Dan denk ik aan de Verpakkingenbelasting, waar ondernemers sinds 1 januari 2008 mee te maken hebben. De CDA-fractie in de Tweede Kamer bleek op dit terrein met een prangende, fundamentele vraag te zitten. Zij wendde zich daarom tot de minister van Financiën met de vraag – ik citeer – ‘of de binnenste rol van een rol wc-papier een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het product wc-papier’. De minister meende deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Ik citeer: ‘Onder het begrip verpakkingen vallen niet producten die deel uitmaken van een ander product en waarbij het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden.’ De gedachten van de bewindsman nemen hierna een hoge vlucht. Citaat: ‘een voorbeeld hiervan is een theezakje met thee erin. Een rol wc-papier is in die zin niet vergelijkbaar met een theezakje, omdat in geval van een rol wc-papier niet alle elementen bedoeld zijn om samen te worden gebruikt. Bovendien is het ook mogelijk wc-papier zonder rol aan te bieden via losse papiertjes (vergelijkbaar met losse papieren handdoekjes). Ik kan dan ook geen voorbeelden geven van kernen die op grond van het voorgaande niet als een verpakking gelden.’[12]
            Redactie Vakstudie Nieuws voelde zich gedrongen aan dit abracadabra een aantekening toe te voegen, Ik citeer: ‘Af en toe bekruipt ons het gevoel dat de tijd waarin belastingheffing serieus werd genomen, definitief voorbij is. Neem nu de hiervóór opgenomen passage. Daarin stelt de ene medewetgever aan de andere medewetgever de vraag of de binnenste rol van een rol wc-papier een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het product wc-papier en maakt de andere wetgever in zijn antwoord een analyse van de verschillen tussen een wc-rol en een theezakje. Geen onaardige dialoog voor een absurdistisch toneelstuk, maar hoort zo’n discussie thuis in het debat tussen de Regering en de Staten-Generaal? Voor zover de verpakkingenbelasting al enig draagvlak heeft, wordt dat door discussies als deze bepaald niet versterkt.’
Samenvattend: inpakken en wegwezen.

Peepshows

Er zijn nauwelijks nog activiteiten te noemen waarmee de fiscus zich niet op een of andere manier bemoeit. Als er met die bezigheden geld wordt verdiend is dat te begrijpen, maar steeds meer gedetailleerde regels met hun onvermijdelijke uitzonderingen, maken dat men al snel het spoor bijster raakt. Een beroep op de fiscale rechter is dan de aangewezen weg. Hoe grillig de weg naar het eindresultaat kan lopen blijkt uit de opwinding die in 2007 over een omzetbelastingkwestie ontstond. Aan de orde was de vraag of bezoekers van een peepshow naar een toneelvoorstelling kijken. Indien dat het geval is heeft dit namelijk tot gevolg dat voor de omzetbelasting het verlaagde tarief van 6% van toepassing is in plaats van het 19% tarief.
De Rechtbank Haarlem zag in de peepshow geen toneelvoorstelling en evenmin ‘een soortgelijk cultureel evenement of voorziening’. De rechter stelde daarbij voorop dat eiseres niet actief is in de gesubsidieerde culturele sector en meende dat de wetgever niet zal hebben bedoeld de activiteiten van eiseres in de faciliteit te laten delen.[13] Dus geldt het normale tarief.
Belanghebbende kwam vervolgens in beroep bij het Hof Amsterdam dat anders redeneerde. Volgens dit rechtscollege kunnen peepshows voor de BTW op één lijn worden gesteld met toneelvoorstellingen. Het hof wijst erop dat een toneelvoorstelling volgens de letter van de wet niet cultureel behoeft te zijn. Ook amusementsparken en kermissen vallen onder het verlaagde tarief. Het erotische karaker van een peepshow is niet doorslaggevend, net zo min als het feit dat de blote dames geen tekst hebben. Het Amsterdamse Hof drukt zich uiteraard wat vormelijker uit: ‘Het eventueel ontbreken van een vocaal aspect aan de voorstelling ontneemt de voorstelling evenmin het karakter van een toneelvoorstelling.’ Pantomime is volgens de wet immers ook laag belast. En dat het vermaak maar een paar minuten duurt, terwijl je bij andere voorstellingen de hele avond onder de pannen bent, is ook niet van belang.
De uitspraak van het Hof Amsterdam[14] deed nogal wat stof opwaaien in de landelijke dagbladen[15]. In de Tweede Kamer kwam de toenmalige fractieleider van de SGP, Bas van der Vlies, in actie. Hij wilde weten welke maatregelen de staatssecretaris dacht te nemen om voor deze en vergelijkbare voorstellingen terug te keren tot de gevestigde praktijk dat ze onder het hoge BTW-tarief vallen. In zijn antwoord deelde de staatssecretaris mee dat hij cassatie tegen de uitspraak van het hof zou instellen.[16] Zijn stelling luidde ongeveer: Bij de uitvoering van een toneelstuk vertolken de acteurs hun rol naar tekst en enscenering van een toneelschrijver. Het louter aannemen van seksuele poses kan daarmee niet op één lijn worden gesteld. Aan de Belastingdienst werd opgedragen over peepshows 19% te blijven heffen. Niet iedereen waardeerde dit. Op internet was het de strijdbare fiscaal econoom Bert Bongers die in voor zijn clientèle begrijpelijke taal adviseerde: ‘Bent u exploitant van een peepshow en net een tikkie eigenwijzer? Gooi dan uw (blote) kont tegen de krib en ga gewoon uit van 6%. Ga bij een naheffing direct in beroep en wacht rustig af.’ Deze suggestie, die nog steeds in de krochten van het internet te vinden is, boette al snel aan actualiteit in toen de Tweede Kamer er bij amendement[17]voor zorgde dat aan de tekst van Par. 5.3, post b.14 werd toegevoegd: ‘Een peepshow, een erotische voorstelling van dames of stellen op een draaiende schijf, en een voorstelling door een paaldanseres zijn geen toneelvoorstelling.’[18] De ingangsdatum werd gesteld op 1 januari 2008. De staatssecretaris dacht overigens dit amendement niet nodig te hebben, omdat Advocaat-Generaal Van Ballegooijen in augustus 2007 al had geconcludeerd dat peepshows geen toneelvoorstellingen zijn. Deze deed zijn doorwrocht betoog voorafgaan aan een deels aan de Van Dale ontleende instructieve beschrijving van wat een bezoeker van een peepshow mag verwachten. Citaat: ‘Een peepshow is een op seksuele opwinding gerichte show van een naakte vrouw (man) die, tegen inworp van muntstukken, door het kijkvenster van een cabine kan worden gadegeslagen. In het pand van belanghebbende staan twee ronddraaiende podia met een doorsnede van ongeveer 2.60 meter opgesteld, waarop zich tijdens een peepshow telkens één meisje vertoont. De bezoekers van de peepshow (maximaal vijftien) kunnen naar het optreden van het meisje kijken. Dit doen zij vanuit éénpersoonscabines. Ze betalen door het inwerpen van contant geld of door middel van een elektronisch oplaadbare kaart. De matglazen ruit die zich tussen de cabine en het podium van de peepshow bevindt, verandert door de betaling in helder glas.’[19] (Zoals de middenstander al zei: ‘Vraag niet hoe het kan, maar profiteer er van’)
Duidelijk is – aldus de A-G – dat een peepshow geen uiting van muziek, toneel, literatuur of wetenschap is. Ook kan zijns inziens een peepshow, hoe kunstig of gekunsteld ook, niet als kunstuiting in de gebruikelijke betekenis van het woord ‘kunst’ worden aangemerkt. Er is dan ook geen enkele kunstzinnige aspiratie. Het vermaak van de bezoeker is het enige doel. Redactie Vakstudie Nieuws vraagt zich in haar commentaar af waarom ‘evenementen en voorzieningen’, wanneer die enkel vermaak bieden, niet in het verlaagde tarief zouden kunnen delen. Verder komt het de Redactie niet erg aannemelijk voor dat de wetgever heeft bedoeld dat de inspecteur/belastingrechter het culturele karakter van prestaties beoordeelt.
Ook Nieuwenhuizen [20]distantieert zich van de visie van de A-G en meent dat het hof een juiste uitspraak heeft gedaan. Hij stelt dat het erotische karaker van peepshows geen reden is om het verlaagde tarief uit te sluiten. De ophef van de CDA-fractie in de Tweede Kamer begrijpt hij niet, want een enkele jaren eerder gewezen arrest [21] had meer in zich om zich druk over te maken. Het ging daar om in sekswinkels aanwezige ‘videocabines’, waarin doorgaans slechts één persoon naar een film kan kijken. De Hoge Raad oordeelde dat ook zo’n eenpersoonsvoorstelling als bioscoopvoorstelling kan worden beschouwd, zodat het verlaagde tarief van toepassing is. Noch het aantal zitplaatsen, noch de aard van de vertoonde films of de techniek van de filmvertoning doet afbreuk aan het begrip ‘bioscoop’.[22] Als de politiek hier bezwaar tegen had, zou het toen het moment zijn geweest om in te grijpen, aldus Nieuwenhuizen. Intussen is het arrest van de Hoge Raad achterhaald door een hierna nog te bespreken arrest van het Hof van Justitie in een Belgische procedure.

De anti-climax

Ondanks de ophef in de media en het amendement dat de beslissing van het Hof Amsterdam   voor de fiscale praktijk blokkeerde, had de Hoge Raad maar weinig woorden nodig om de beslissing van het Amsterdamse Hof te bevestigen.[23]De oordelen van het hof geven – aldus de Hoge Raad – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee sanctioneert de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de woorden ‘culturele evenementen’ moeten worden opgevat in de meest brede zin van het woord. Bij de peepshow is sprake van een toneelvoorstelling en het erotische karaker van de voorstelling doet daar niet aan af. Dus valt het verlenen van toegang tot de peepshows onder het verlaagde tarief.
Voor de fiscale praktijk had deze beslissing geen betekenis meer. Door het hiervoor genoemde amendement Cramer c.s. (zie noot 17) valt de toegang tot peepshows sinds 1 januari 2008 onder het normale tarief. Maar er blijven nog wel vraagpunten over. In zijn noot op het arrest constateert J.J.P. Swinkels dat de Hoge Raad niet ingaat op de vraag wat een toneelvoorstelling is en daarvoor ook geen kader schept. Wat de wetswijziging per 1 januari 2008 betreft stelt hij het gelijkheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel aan de orde. Waarom moet een erotische toneelvoorstelling zwaarder worden belast dan een niet-erotische toneelvoorstelling? Waarom is de peepshow expliciet van de toepassing van het verlaagde BTW-tarief uitgesloten, maar zijn er geen maatregelen getroffen om de reikwijdte van het begrip ‘bioscoop’ te beperken wanneer een erotische film in een éénpersoonscabine wordt bekeken? Deze laatste vraag is inmiddels beantwoord door het Hof van Justitie.

Sexcabines geen bioscoop

Swinkels maakt in zijn noot bij BNB 2009/89 melding van een prejudiciële vraag die de Belgische belastingrechter aan het Hof van Justitie voorlegde. Dit betrof het standpunt van de belanghebbende (Erotic Center BVBA) dat de vergoeding die wordt ontvangen voor het bekijken van erotische films in een afsluitbare ruimte in België aan het verlaagde BTW-tarief is onderworpen, omdat de cabine kan worden beschouwd als een bioscoop in de zin van categorie 7 van bijlage H.[24]Kleurrijk detail: de nationale regeling in België bepaalt dat het verlaagde tarief van 6% onder andere geldt voor ‘De toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak […] met uitzondering van ‘de toekenning van het recht gebruik te maken van automatische ontspanningstoestellen.’ (Ik neem aan dat iedere Vlaming weet op welke zelfdenkende apparatuur de wetgever hier doelt)
Op 18 maart 2010 gaf het Hof van Justitie een duidelijke beslissing.[25]Die komt er kortweg gezegd op neer dat cabines voor het individueel (cursivering van de auteur) bekijken van films of filmfragmenten niet het karakter hebben van een bioscoop.
Ingaande 18 maart 2010 geldt dus niet meer de beslissing van de Hoge Raad als verwoord in BNB 2004/34, V-N 2003/61.20. In die procedure was sprake van het gelegenheid geven tot het bekijken van seksfilms in cabines en in cinema’s. Voor wie in een cabine, voorzien van een tweezitsbankje, aan zijn gerief kwam, was de exploitant het verlaagde BTW-tarief verschuldigd. Dit verlaagde tarief gold volgens de Hoge Raad ook voor de cinema’s waarin doorlopende filmvoorstellingen werden gegeven en plaats bieden aan maximaal 56 personen. Redactie Vakstudie Nieuws[26]meent dat het er naar uitziet dat na 18 maart 2010 de cabines uit de procedure van de Hoge Raad niet, en de cinema’s wèl aan de door het Hof van Justitie verwoorde eis van gezamenlijkheid[27]voldoen om als bioscoop te worden aangemerkt. De tekst van de toelichting op het verlaagde tarief luidt nu als volgt:
‘Onder een bioscoop is naar spraakgebruik te verstaan: een voor het publiek tegen betaling toegankelijke inrichting waarin als hoofdactiviteit films worden vertoond. Uit de gebruikelijke betekenis van het woord bioscoop en de context waarin dit begrip dient te worden uitgelegd vloeit voort dat de post niet van toepassing is op de betaling door de consument om individueel een of meer films of filmfragmenten te kunnen bekijken in een afgesloten ruimte zoals in sexcabines.’
Wordt eindeloos vervolgd. 

De tinnef-taks

De belastingwetgeving kent tal van maatregelen die de bedoeling hebben kunst en cultuur te ondersteunen, maar het hoe en waarom blijkt in concrete gevallen soms niet meer uitgelegd te kunnen worden. Sigrid Hemels[28] kwam in 2005 tot de conclusie dat de overheid maar weinig zicht heeft op de uitwerking van doorgaans in wetgeving vastgelegde maatregelen. Ook vraagt men zich niet af of het doel dat men ermee wil bereiken ook werkelijk bereikt wordt. Sterker nog: er zijn maatregelen waarvoor eigenlijk helemaal niet duidelijk is wélk doel ermee gediend zou moeten worden.
De onduidelijkheid over de belastingsubsidies ontstaat omdat ze door niemand worden gecontroleerd of getoetst aan de doelstellingen. Dit in tegenstelling tot directe kunst- en cultuursubsidies, waarover vaak fel wordt gediscussieerd.
In mijn knipselmap vond ik een suggestie van Gerrit Komrij[29]die zich afvroeg of we ook geen belasting zouden moeten heffen op culturele rotzooi om er de cultuur als geheel mee te redden. Zo kwam hij tot zijn voorstel tot het instellen van een rotzooi-belasting, de zogenaamde tinnef-taks. Sprekende voorbeelden (ik citeer): ‘Zodra iedere kijker een extra heffing van 10 gulden op het lidmaatschap van Veronica moet betalen is het Concertgebouw uit de zorgen. Een verplichte stuiver op elke reproductie van Rien Poortvliet en het Rijksmuseum kan per kwartaal een echt schilderij aanschaffen. Zeven en een halve gulden strafport op iedere grammofoonplaat waarop Therese Steinmetz een volksdansdreun probeert na te brullen en het Nederlands Danstheater gaat een gouden toekomst tegemoet. […] Zo kan een fonds van ongekende omvang ontstaan, waarmee de hele beschaving kan worden gered. [,,,] Het is ook een rechtvaardige heffing: ze treft niet alleen de zwakste schouders, maar gaat door alle lagen van de bevolking heen.’
Ik voeg hieraan toe: Zo krijgt draagkracht een nieuwe dimensie en gaat op den duur gelden: ‘alles belast’, waarmee ook de afkorting ‘a.b.-regime’[30] niet alleen aan begrijpelijkheid wint, maar ook zijn ultieme betekenis krijgt.

Beste Leno en Nico,
Wij hebben al diverse keren afscheid van elkaar genomen zonder dat sprake was van een vertrek. Maar deze keer is het toch echt waar: jullie leggen de pen neer. Voor jou Leno, komt er niet alleen een eind aan je werkzaamheden als auteur en (eind)redacteur, maar je treedt bovendien terug als hoofdredacteur van de Cursus, een zware en verantwoordelijke taak die je vele jaren voortreffelijk en met grote inzet vervulde. Onder jouw leiding is zowel het aantal auteurs als de in de Cursus behandelde stof belangrijk uitgebreid. Ik denk nog vaak terug aan de tijd waarin we in hechte samenwerking aan de opbouw van de Cursus werkten. Waardevolle herinneringen schieten mij dan te binnen. Jij hebt mij ooit met enige klem toevertrouwd dat we je bij je terugtreden geen liber amicorum hoefden aan te bieden, maar ik neem aan dat je het ons niet kwalijk neemt dat we je wensen op dit punt hebben genegeerd.
Ook jou Nico, wil ik complimenteren en bedanken voor het vele werk dat je als auteur en redacteur, en – in samenwerking met Leno – op organisatorisch terrein hebt verricht. De bundel die je in 1995 kreeg aangeboden ter gelegenheid van je afscheid van de Vakgroep Belastingrecht aan de Universiteit Leiden was in zekere zin prematuur. Want na je Leidse periode ging je door als raadsheer in de gerechtshoven Amsterdam en Arnhem en ook na je pensionering bleef je je met onverminderde energie inzetten voor de Cursus, Onder jouw leiding vond een belangrijke uitbreiding plaats van het aantal auteurs dat meewerkt aan je opus magnum: het onderdeel Vennootschapsbelasting. Gezegd mag worden dat dit onderdeel uitgroeide tot een gezaghebbend standaardwerk.
Toen ik de Nico de Vries-bundel opensloeg las ik op het schutblad: ‘Geen vriendschap groter dan die met jullie, Nico de Vries.’ En daaronder: ‘Harm, dit boek is zo mooi geworden omdat wij zulke goede vrienden zijn!’, ondertekend Leno, 28 september 1985.
Dank voor jullie jarenlange vriendschap, Ik hoop die nog jarenlang te mogen ervaren.

Harm
Juli 2010

Naschrift
Dit opstel is opgenomen in 40 jaar Cursus Belastingrecht (Kluwer Deventer, 2010), een liber amicorum, aangeboden aan Leno Sillevis en Nico de Vries, ter gelegenheid van hun afscheid als hoofdredacteur respectievelijk lid van de hoofdredactie van de Cursus Belastingrecht.

[1] Oud-universitair hoofddocent in het belastingrecht aan de Universiteit Leiden

[2] Pim Oosterheert, Bommellexicon – Van aanmaak tot Zwirkvlaai, Ton Pauw, Soest 2005. In de noten 3 tot en met 8 wordt respectievelijk verwezen naar titel en nummer van het verhaal en het nummer van de dagbladaflevering

[3] Marten Toonder, De zelfkant, nr. 174, aflevering 01451

[4] Marten Toonder, De ombrenger, nr. 137, aflevering 7325

[5] Marten Toonder, Een Bommelding, nr. 173, aflevering 01343

[6] Marten Toonder, De Unistand, nr. 164, aflevering. 0502

[7] Marten Toonder, De zelfkant, nr. 174, aflevering 01452

[8] Marten Toonder, De nozellarven, nr. 86, aflevering 3835

[9] Harm Mobach, Belastend materiaal, in Nico de Vries-Bundel, Gouda Quint bv, Arnhem 1995, blz. 203-218.

[10] M. Rinkes, De Personeele belasting, Kluwer Deventer, 3e druk 1914, art. 21, aantekening 1.

[11] HR 18 september 1991, nr. 27 165, BNB 1991/304.

[12] Kamerstukken II 2008/09, 31704, nr. 8, Special Belastingpakket 2009, V-N 2008/53.2

[13] Rechtbank Haarlem 27 maart 2006, nr AWB 05/2271, LJN AV855, te raadplegen via http://www.rechtspraak.nl

[14] Hof Amsterdam 22 januari 2007, nr. 06/00175, zonder aantekening in V-N 2007/15.1.2 en met noot van W.A.P. Nieuwenhuizen in NTFR 2007/310.

[15] W, Takken, Acteurs peepshow weinig geïnspireerd, NRC Handelsblad 14 februari 2007.

W.Takken, Seksshows op theater-festival, NRC Handelsblad 3 maart 2007. A. Grotenhuis, Fiscus ziet in kunst   vooral geld, NRC Handelsblad 24 maart 2007.

[16] Brief van 9 maart 2007, nr. DGB2007-960, V-N 2007/15.14.

[17]Amendement van de leden Cramer, Van der Vlies, Jules Kortenhorst, Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 12.

[18] Par. 5.3, post b.14, Besluit van 27 september 2007, nr. CPP2007/536M, V-N 2007/54.22.

[19] Concl. A-G Van Ballegooijen 18 juli 2007, nr. 43908, V-N 2007/40.26.

[20] W.A.P. Nieuwenhuizen, commentaar NTFR 2007/310.

[21] HR 7 november 2003, nr. 38 792, BNB 2004/34, V-N 2003/61.20.

[22] In het berechte geval werd gebruik gemaakt van wat omschreven wordt als een ‘videokanon’, een aanduiding die inmiddels is vervangen door het vreedzamer klinkende beamer.

[23] HR 5 december 2008, nr. 43 908, BNB 2009/89 (concl. Van Ballegooijen, noot J.J.P. Swinkels)

[24] Bijlage H bij de Zesde richtlijn, met als titel ‘Lijst van de leveringen van goederen en diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast’, noemt verschillende categorieën. Categorie 7 van deze bijlage luidt als volgt: Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.

[25] HvJ EU 18 maart 2010, zaak C-3/09 ( Erotic Center BVBA), V-N 2010/15.25

[26] Geactualiseerde toelichting op het verlaagde BTW-tarief van Tabel I, V-N 2010/31.15, aantekening bij Post B14, punt 6.

[27] Zie overweging 17 in HvJ EU 18 maart 2010, zaak C-3/09 ( Erotic Center BVBA), V-N 2010/15.25

[28] Sigrid Hemels, Door de Muze omhelsd. Een onderzoek naar de inzet van belastingsubsidies voor kunst en cultuur in Nederland, Wolf Legal Publishers Tilburg 2005.

[29] Ontleend aan een column die Gerrit Komrij ooit schreef voor NRC Handelsblad. De datum heb ik niet weten te achterhalen, H. Mo.

[30] De term ‘a.b.-regime’ hangt samen met het Nederlandse belastingrecht. Wie direct of indirect minimaal 5% bezit van (bijvoorbeeld) aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap is als houder van een ‘aanmerkelijk belang’ inkomstenbelasting verschuldigd over de verkregen voordelen.

Categorieën:Belastingen