Pete Felleman, de daverende diskjockey

Felleman, Pete ¦ 1952.jpg

Pete Felleman (1921-2000) was de man die Nederland liet kennismaken met de bebop-revolutie van Charlie Parker en de legendarische opnamen van het Miles Davis-nonet.  Harm Mobach is hem er nog altijd dankbaar voor, maar hij bewaart ook dierbare herinneringen aan Fellemans unieke, allitererende proza. Van ‘soepel swingende saxsecties’ tot ‘een voortreffelijk voorgedragen vers vol vurig verlangen’.

Zo’n zeventig jaar geleden hield ik elke vrijdagavond nauwkeurig de klok in de gaten, want om kwart over tien begon mijn favoriete radio-programma: Swing and Sweet from Hollywood and 52nd Street, samengesteld en gepresenteerd door Pete Felleman. Dat betekende een halfuur nieuw Amerikaans jazz- en swingrepertoire, muziek die op de twee Hilversumse zenders zelden of nooit te horen was. Unieke programma’s dus, waaraan de luisteraars van toen de beste herinneringen bewaren.
Jaap Albert Louis Sydney (Pete) Felleman (1921-2000) was de eerste diskjockey naar Amerikaans model op de Nederlandse radio. Toen hij met zijn markante stem in 1947 zijn eerste programma via de VARA presenteerde, kende ik het woord diskjockey nog niet. Ik herinner mij wel dat hij, naast zijn bijzondere stemgeluid, opviel door zijn opmerkelijk taalgebruik. Met zijn bas-bariton sound sprak hij de luisteraars vaak aan in een soort veramerikaniseerd Nederlands. Zo had hij het bijvoorbeeld over ‘een vocaliste die een gimmickloze straight ballad vertolkte’. Ook had hij een voorliefde voor bloemrijke alliteraties. Het ging vaak over de ‘solid sound’ van het krachtige ‘Kenton-koper’ en hij roemde de ‘fraaie frasering’ door de solisten. Hij sprak over ‘een voortreffelijk voorgedragen vers vol vurig verlangen’, en over een naar zijn smaak iets te sentimenteel stuk schreef hij eens: ‘We weten het, de wereld wil wenen.’
Felleman bereidde zijn uitzendingen altijd met grote precisie voor. Tot op de seconde vulde hij de hem toegemeten tijd en ik heb hem nooit op een verspreking kunnen betrappen. Een grote prestatie, want in de jaren veertig ging elk programma nog direct de ether in. Van die uitzendingen zijn dan ook voor zover ik weet geen opnamen bewaard gebleven. Wel liet de VPRO op 6 juni 1997 een natuurgetrouwe reconstructie horen van Fellemans eerste radiorubriek (Swing and Sweet from Hollywood and 52nd Street) met als tune Harry James’ Trumpet Blues And Cantabile. Ook de aankondiging van zijn programma USA Cabaret werd opnieuw in scène gezet. Deze uitzending, die plaatsvond ter gelegenheid van Fellemans 50-jarig radio-jubileum, heb ik destijds opgenomen. Een kopie op cd zond ik aan het Nederlands Jazz Archief.

Afscheid van de VARA
In 1957 kwam er een einde aan de programma’s die Felleman voor de VARA verzorgde. Ook Hit Parade, dat hij al sinds juli 1949 samenstelde en veel beluisterd werd, moest eraan geloven. De officiëlereden voor Fellemans ontslag: hij was als labelmanager in dienst getreden van een platenmaatschappij en daardoor maakte hij zich volgens VARA-voorzitter J.B. Broeksz schuldig aan belangenverstrengeling. In feite een drogreden. Al eerder werkte Felleman voor de platenmaatschappij CNR, waartegen de VARA nooit bezwaar maakte. De verbanning kwam pas toen Felleman in dienst trad bij Bovema, een serieuze concurrent van Philips-Phonogram, dat in Hilversum een stevige vinger in de pap had.
De afscheidswoorden van Felleman, zoals hij die in 1957 voor de VARA-microfoon uitsprak, heb ik destijds op band vastgelegd:
‘Op 6 juni 1947 zette Coleman Hawkins Body and Soul in. Op 6 juni 1947 begon een rubriek die uit tien programma’s zou bestaan: Swing and Sweet from Hollywood and 52nd Street. De tien uitzendingen zijn er, schat ik, zevenhonderd geworden. De tien weken groeiden uit tot meer dan een decennium. Dit is dan het einde. Aan velen uwer hartelijk, écht hartelijk dank. En een songtitel ten afscheid: Don’t Worry ‘Bout Me!
Een typische Felleman-tekst, omlijst door het slot van Stan Kentons Concerto To End All Concertos. De muziek klinkt na 60 jaar wat beverig [1], maar de stem is honderd procent Pete Felleman.

Fellemans afscheid van de VARA betekende zeker niet het einde van zijn carrière. Hij verzorgde voor Radio Luxemburg commerciële programma’s en werkte ook voor Radio Veronica. In 1967 maakte hij, dank zij documentairemaker Bob Uschi, een come-back voor de NRU. Zijn eerste uitzending was geheel gewijd aan zijn idool tenorsaxofonist Coleman Hawkins, die hij al voor de oorlog in Amsterdam vele malen hoorde optreden.
Zijn tweede programma ging over The Supremes, een in de jaren zestig populaire zanggroep die een belangrijke bijdrage leverde aan de doorbraak van de Afro-Amerikaanse rhythm-and-blues muziek. Van die vocal group maakte ook Diana Ross deel uit, wat Felleman als promotor van het zwarte Motown-label goed uitkwam.
In de jaren tachtig kreeg Felleman ook bekendheid door de manier waarop hij met zijn direct herkenbare stem reclamespotjes presenteerde. Ik herinner mij: ‘Vorstelijk, zo’n Bonaparte tapijt onder je voeten…’
Na zijn pensionering keerde Felleman in 1985 terug bij de publieke omroep. Voor de VPRO presenteerde hij de rubriek De jazz van Pete Felleman, als onderdeel van het Radio 5-programma De Avonden.
Wie Felleman vanaf 1947 heeft gevolgd zal hem altijd erkentelijk blijven voor zijn uiterst verzorgde uitzendingen. Hij was na de oorlog de eerste programmamaker die ons met de bebop-revolutie van Charlie Parker en de zijnen liet kennismaken. Ik zal nooit vergeten dat ik de nu legendarische opnamen van het Miles Davis-nonet uit 1949 voor het eerst hoorde in een Felleman-programma. Stukken als Move, Budo, Godchild, Jeru en Israel.
Ook de manier waarop Felleman de musici introduceerde, is onvergetelijk. Ik noem zijn aankondiging van de virtuoos spelende pianist Art Tatum, waarin hij meestal ook de door hem bedachte woordspeling verwerkte: ‘You can’t imitatum.’

Pete Felleman op de covers van Tuney Tunes (augustus 1949) en Rhythme (april 1957), met Rita Reys en June Christy

Gedreven radio-coryfee
Pete Felleman is zijn smaak altijd trouw gebleven. Toen hij voor de VPRO ging werken bleek zijn voorliefde vooral uit te gaan naar zijn helden uit de jaren dertig en veertig: tenorsaxofonist Coleman Hawkins, altsaxofonist Charlie Parker, tenorsaxofonist Lester Young en altsaxofonist Benny Carter. Ik noem ze met opzet in deze volgorde, omdat Felleman in het hiervoor genoemde jubileumprogramma deze beroemde saxofonisten met hun bijnamen aanduidt: Bean, Bird, Prez, B.C. Overigens krijgen de liefhebbers deze blazers niet te horen, indachtig commentators spreuk: ‘I use every trick in the world.’ Het ironische slot van het programma mag niet worden gemist: ‘6 juni 1947, 6 juni 1997. Een leven in radio. Tot over 50 jaar.’

Ook wie ongevoelig is voor ‘een soepel swingende saxsectie’ kan nog steeds plezier beleven aan de fascinerende teksten van Felleman op sommige platenhoezen. Zo schreef hij bij een kerstplaatje: ‘De zeldzaam zuiver zingende zusjes maakten de plezierige switch van dennetak naar draaitafel… van preek naar plaat.’ En even verder: ‘Deze muzikale meiskes zingen met een feilloos gevoel voor het religieuze idioom…’ ‘Ge zult deze plaat niet alleen met Kerstmis willen beluisteren, maar ook met Pasen en Pinksteren, en zo maar… op een doordeweekse dag…’ Onvergetelijk.
Nog een – vrijwel letterlijke – tekst voor een Capitol-plaat:
Inderdaad: Christmas op Capitol. Op deze pagina vind Ge een kerstrepertoire dat weliswaar in de verre Verenigde Staten is opgenomen, maar waar men ook in ons goede werelddeel gaarne naar luistert. Variërend van een vrolijk “Rudolph the red-nosed reindeer” door Cliff Stone tot ingetogen orgelspel van Edwin Cole; van een verrukkelijk verend voorgedragen “Jingle Bells” door Francis Albert Sinatra tot zijn met grote liefde voor deze materie vertolkte “O little town of Bethlehem”, het vriendelijke miniatuur-plaatsje in imponerend Israël waar het allemaal is begonnen. Christmas on Capitol. Wie Christmas zegt denkt onweerstaanbaar aan Capitol, het label dat een even volmaakt als volledig overzicht geeft van het beste kerstrepertoire aller tijden! Welke betekenis de goede lezer ook aan de kerst mag hechten, het is en blijft over de ganse globe een feest van licht en vrede op aarde, van het kind en de kribbe en – vooral – van muziek. Van muziek op Capitol!’
Teksten die niet met droge ogen zijn te lezen.

Kampioen van de alliteraties
Ook de aankondigingen op een 25 cm-lp, in 1953 in Eindhoven opgenomen maar uitgebracht onder het motto Jazz At The Kurhaus, zijn nog jarenlang voor de Felleman-fans een bron van vermaak gebleven.
Over Tony Vos zei hij: ‘Op alt een jongeman die niet kopieert en niet imiteert, maar die zijn Konitz terdege kent… aandacht voor de coming man in het cool idioom … TONY VOS.’
Een vocaliste werd als volgt geïntroduceerd: ‘Brabants bijdrage aan de moderne muziek… ik geef u… RIEDEL VAN KLEEF!’
Bassist Henk Bosch van Drakestein, die optrad onder een schuilnaam, werd aangekondigd als ‘een jongeman die pas goed een jaar geleden z’n eerste naam en faam verwierf maar in dat korte bestek al klom tot de bassist die komt… HANK WOOD!’
Gevolgd door: ‘Een benjamin nu… negentien jaren jong… doch evengoed al drie seizoenen vakervaring… toch al een solist waarover de collega’s spreken… gitarist ROB PAUWELS!’
Als medewerker van het blad Muziek Expres wist ik mij het Felleman-idioom min of meer eigen te maken en besprak ik in de stijl van de presentator diens overstap van Hilversum naar radio Luxemburg (‘de zakelijk zoemende zender’). Paul Acket zorgde voor illustratie en onderschrift: Each Day is Fellentijn’s Day. [2] Of de curieuze commentator de milde satire kon waarderen, is mij niet bekend.
Overigens blijft Felleman de onbetwiste kampioen van de alliteraties. In een artikel over Oscar Peterson schreef hij: ‘Verbluffend feilloos vliegen de vindingrijke virtuoze vingers over de achtentachtig tintelende toetsen.’

De oorlogsjaren
Zelf was de presentator niet scheutig met informatie. Over zijn gemengde afkomst en zijn belevenissen in de oorlogsjaren sprak hij zelden. Hij had een Joodse vader, van beroep diamantklover en diamanthandelaar. Die trouwde met een rooms meisje uit Helmond, waar ze – aldus Felleman in Vrij Nederland [3] – ‘nog nooit een Jood hadden gezien’. Wanneer in een door de VPRO uitgezonden interview [4] zijn ondervragers veronderstellen dat zijn omgang met zwarte musici in Amsterdam voor hem als Jood risicovol moet zijn geweest [5], plaatst Felleman daarbij de kanttekening dat hij door de bezetter niet als Jood werd aangemerkt. Hij had een niet-Joodse moeder, was nooit bar mitswa (‘zoon van het gebod’) geworden en nam niet deel aan de Joodse riten. Hij was in de oorlogsjaren gesperrt, maar realiseerde zich ook dat de Duitsers (Felleman noemt ze motherfuckers) hem bij de eindoverwinning niet zouden sparen.
Een journalist die Felleman tot min of meer openhartige uitspraken wist te verleiden, was Igor Cornelissen. In het kerstnummer 1984 van Vrij Nederland laat hij Felleman aan het woord:
‘Nee, we gaan niet over de oorlog praten. Al m’n tantes , ooms, neefjes en nichtjes van vaders kant weg. Die verhalen ken je toch? Razzia’s . Ik zal je iets verschrikkelijks vertellen. Ook daar raak je aan gewend. De roots of surviving.
Ik heb de hele oorlog door platen gedraaid. Ik ben blijven draaien [6]. Totdat de elektriciteit uitviel. Nee hoor, ik ben geen verzetsheld geweest. Ik heb eten weggebracht naar Brabant, naar ondergedoken familie, en dat was alles…’
Opmerkelijk is dat in dit interview Pete Felleman ook over zijn vader spreekt:
‘In de oorlog heeft-ie me gered. Ik werd gearresteerd in de Euterpestraat […] Ja waarom? Mijn vader en ik bleven doorhandelen in die diamanten en dat was verboden. Toen is bij een razzia een knaap gepakt met een pakje diamanten in zijn zak. Zo is mijn naam gevallen. Ik weet wel door wie maar dat doet er nu niet toe. Mijn vader liep als sterdrager nog het meeste gevaar. Hij had weg kunnen gaan, onderduiken. Maar hij is zich eerst rustig gaan scheren en is toen naar dat SD-hoofdkwartier gegaan. Hij heeft ons er door enorm te lullen uit gekregen. Wij werden door de Hollandse SD gearresteerd. Dat waren de ergsten. Hij heeft tegen ze gezegd dat ze verstandig moesten zijn, dat de oorlog toch op z’n einde liep en dat het geen kwaad kon als ze na de oorlog zouden kunnen zeggen dat ze ook een paar Joden hadden laten gaan. Hij heeft na de oorlog ook een goed woordje voor ze gedaan. Ik geloof niet dat het veel hielp. Een van de knapen had al twintig keer de doodstraf tegen zich horen eisen. Het waren jonge jongens, die SD’ers, maar wat een sekreten. I never trusted a cop since.’ [7]

felleman-pete-%c2%a6-1993Even verder in het interview, Felleman over de bevrijding:

‘Ik had een heel bijzondere bevrijding. De elektriciteit was dus afgesloten geweest. Die vijfde mei zélf zei mij niet zoveel, dat herinner ik me tenminste niet meer. Het licht was maanden tevoren uitgegaan en je begrijpt dat ik niet al die knopjes op “af” heb gezet. Ik was een plaat aan het draaien toen het licht uitging en die plaat begon dus steeds langzamer te draaien. Totdat ik helemaal niets meer hoorde.

Nu is het een poosje na de bevrijding. Het is zaterdagmorgen elf uur. Ik lig nog in m’n nest. Ik had een grammofoon met een eerste primitieve wisselaar. Ik zie dat alle lichten aangaan en dan begint die jazzplaat te spelen. Dat was voor mij het moment. Het sein. Het bewijs: het leven gaat weer beginnen. En dan gaat ook de radio weer spelen. Ik weet echt niet meer welke plaat dat was. Het zou mooi zijn voor je story. Maar het was en is een heilig moment en dan mogen we niet gaan fantaseren.’
In 1993 brengt Felleman deze gebeurtenis in een tv-programma opnieuw beknopt ter sprake [8]. De kijker ziet een platenwisselaar en een draaiende Decca-plaat met rood etiket en hoort de Millers onder leiding van Ab de Molenaar in het door Sanny Day gezongen Gotta Be This Or That, opgenomen in 1946, dus na de oorlog. Of de getoonde platenwisselaar de ‘eerste primitieve wisselaar’ was als die waarvan sprake is in het interview uit 1984 heb ik niet kunnen vaststellen. Een kenner van historische afspeelapparatuur vertelde mij desgevraagd dat er vóór 1945 al goede platenwisselaars als onderdeel van een luxe radiomeubel bestonden, maar dat die bijzonder prijzig waren.
Wat mij in het interview uit 1984 verder nog opviel was de opmerking: ‘En dan gaat ook de radio weer spelen.’ Omdat het bezit van een radio strafbaar was zou je verwachten dat die goed was opgeborgen en dat de behoefte het toestel tevoorschijn te halen pas ontstond toen er weer elektriciteit was.
Wat hiervan zij, bij gebreke van een Felleman-biografie houd ik mij maar aan het advies dat commentator zelf ons in het hiervoor geciteerde interview voorhield: ‘Over een heilig moment moeten we niet gaan fantaseren.’

Harm Mobach

[1] De opname werd vastgelegd op een primitieve taperecorder (‘phil-up’), destijds verkrijgbaar bij de firma Stuut en Bruin in Den Haag. Om het loopwerk van de recorder te laten functioneren werd gebruik gemaakt van de aandrijfas van de draaitafel.

[2] Paul Acket: Musicus zonder instrument (samenstelling: Karin Acket; redactie Joke Meerman; Engelse vertaling Liesbeth Nieuwenweg) – Den Haag, 1994, pagina 40.

[3] Igor Cornelissen in gesprek met Pete Felleman, Vrij Nederland, 22 december 1984.

[4] A.J. Heerma van Voss en Wim Noordhoek, VPRO-radio, 13 juni 1989.

[5] Tot 7 december 1941 (Japanse aanval op Pearl Harbor) konden Amerikaanse musici nog in Amsterdam werken. Nadat Duitsland de oorlog had verklaard aan de Verenigde Staten was dat uiteraard niet meer mogelijk.

[6] Pia Beck vertelt dat ze in 1944 als lid van de Samoa Girls werd uitgenodigd voor een feest bij Pete Felleman, waar ze voor het eerst het Miller Kwartet ontmoette. Kort daarop trad ze met de Samoa Girls op in de Palermo Bar in Arnhem met begeleiding van de Millers. ‘Dan wordt het Dolle Dinsdag en had ik’, schrijft Pia Beck in haar memoires, ‘geen contact meer met de Millers. Ze moesten nog steeds in Arnhem zijn, maar waar? Ze werden doodgewaand!’ Nog een citaat: ‘Tot op een dag in Amsterdam, wederom thuis bij Pete Felleman. Op een avond ging ineens de bel. Het was nà achten en we verwachtten helemaal niemand meer om die tijd. Je mocht immers niet na acht uur zonder geleide de straat op. Maar wie stonden daar? Sanny Day en Ab de Molenaar. Ze vertelden ons direct het hele relaas van Dolle Dinsdag met alle verschrikkingen. Sanny en Ab wilden niet meer terug naar Arnhem.’ Zie De Pia Beck story, Amsterdam 1982, pagina 18 en 19.

[7] Dit verhaal vereist enige toelichting. Zoals Gerard Aalders (zie bronvermelding hierna) uiteenzet waren de Duitsers bang dat bij overhaaste deportatie van de Joodse diamantairs veel diamant zou worden achtergehouden. Edelstenen laten zich immers uitstekend verbergen en zijn gemakkelijk verhandelbaar. Uitstel van deportatie was mogelijk indien men over een Sperrstempel beschikte. Tegen inlevering van diamant konden Joden een stempel krijgen dat ze bis auf weiteres voor transport naar het Oosten vrijwaarde. Het lijkt mij aannemelijk dat Felleman sr. over zo’n stempel beschikte. Zie over de arisering van de diamantindustrie Gerard Aalders: ROOF – De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, Sdu Uitgevers, Den Haag, 1999, pagina 142-144 en J. Presser: ONDERGANG – De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945, deel 2, Staatsuitgeverij, Den Haag, 1965, pagina 223-227.

[8] De geschiedenis van de Jazz in Nederland (deel 3), uitgezonden door de NOS-tv in 1993.

 

 

Categorieën:Jazz