Ter overdenking 32

Op de lagere school leerden we iedere week een psalmversje. Zoals Ps. 25, vers 6:

Wie heeft lust den Heer te vreezen,
’t Allerhoogst en eeuwig goed.
God zal zelf zijn leidsman wezen,
Leeren hoe hij wand’len moet.
t Goed dat nimmermeer vergaat,
Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn Godgeheiligd zaad
Zal ’t gezegend aard’rijk erven.

Met deze tekst werd soms de hand gelicht. Een oneerbiedige verandering was:

’t Goed dat nimmermeer vergaat,
Daar wil ik een pak van hebben.

De meest diepgaande variatie stond in de jaren twintig als advertentie in een Amsterdamse kerkbode. De (gereformeerde) eigenaar van een hoedenzaak, de heer Donkers, trachtte zijn omzet te vergroten middels de volgende wervende tekst:

Wie heeft lust meneer te wezen,
Dan draagt hij een Donkers hoed.
Zo zal hij een wijs man wezen,
Weten hoe hij’m dragen moet.
Een hoed die nimmermeer vergaat,
Kan hij driemaal laten verven.
En als hij hem niet meer staat,
Kan zijn zoon hem later erven.

Wie ook de melodie in het hoofd heeft, geniet dubbel.

Uit “Jazz Anecdotes”van Bill Crow:

When Buddy Rich checked into a hospital, the admitting nurse who filled out his admission form asked of he was allergic to anything.
“Country and Western music,”, said Buddy.

Al Cohn was, om met Henk Bosch van Drakestein te spreken, ‘een innemende persoonlijkheid’. Bill Crow over Al Cohn:
When a bartender asked Al: “What’ll you have?” Al replied: “One too many.”

In Europe, Al was drinking at a bar with some friends who recommended the local beer.
“Have you tried Elephant Beer?” he was asked.
“No,” said Al, “I drink to forget.”

Al Cohn once defined a gentleman as someone who knows how to play the accordion, and doesn’t.

Categorieën:Overdenkingen