Ter overdenking 55

Verlate kribbige kerstboodschap

Vorige week werd voor Radio 1 een historicus geïnterviewd die zich bezighoudt met ‘kritisch bijbelonderzoek’. Hij vertrouwde de luisteraar toe dat in de gebruikelijke kerstvertellingen voorbij wordt gegaan aan, wat hij noemde, de fiscale achtergrond van het kerstverhaal. In de gangbare opvatting moesten Jozef en Maria van Nazareth naar Bethlehem reizen in verband met een volkstelling. De historicus – ik meen dat hij Vergeer heet – wees erop dat de Romeinen niet zo zeer geïnteresseerd waren in het aantal inwoners van Palestina als wel in het aantal mensen van wie men belasting kon heffen en hun mate van welstand. Zo werd bereikt dat de Joden zelf de kosten van het Romeinse bezettingsleger betaalden. Keizer Augustus organiseerde tijdens zijn bewind vier van dergelijke ‘volkstellingen’!
Dit interview herinnerde mij aan een lezing die ik jaren geleden hield voor het Historisch Genootschap Pijnacker. Ik had daarvoor allerlei wetenswaardigheden verzameld over belastingheffing in het grijze verleden en was daarbij ook tot de ontdekking gekomen dat de klassieke versie van het kerstverhaal moet worden bijgesteld. Mijn gegevens ontleende ik aan een publicatie van een beleidsmedewerker bij de Gemeentelijke Belastingen in Rotterdam, Alfred Dekker, die eerder theologie had gestudeerd.
Volgens de evangelist Lucas ging er een bevel uit van de keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. Allen gingen op reis om zich te laten inschrijven. Er wordt daar – aldus Dekker – een Grieks woord gebruikt dat niet alleen ‘inschrijven’ betekent, maar ook ‘registreren’. Om de vijf jaar werd men geregistreerd, waarbij ieders vermogen door schatting werd bepaald. De belangrijkste belasting was die op grondbezit en de opbrengst van die grond. Men behoefde geen boekhouding bij te houden, maar moest een bepaald percentage van de waarde van het onroerend goed afdragen aan de provinciale fiscus (fiscus betekent letterlijk geldzak). Wie geen bezittingen had moest alleen het zogenaamde ‘hoofdgeld’ betalen, wat dus in principe door alle inwoners verschuldigd was. Dit maakt het op zijn minst aannemelijk dat Jozef in Bethlehem familiebezittingen heeft gehad. Zou hij die niet hebben gehad, dan had hij alleen hoofdgeld moeten betalen, wat hij ook in Nazareth had kunnen voldoen. Jozef moest aangifte doen in Bethlehem; een kadaster was er uiteraard niet. Mijn conclusie: Jozef en Maria legden de 150 kilometer van Nazareth naar Bethlehem dus niet af om zich te laten tellen, maar meer om zich te laten tillen …
(Tussendoor even iets over een quiz, waar ik dezer dagen een fragment van zag. Een echtpaar kreeg van Linda de Mol de vraag voorgelegd hoe Jozef en Maria zich volgens het bijbelverhaal verplaatsten van Nazareth naar Bethlehem. Het magistrale antwoord was: op een rendier…)
Waren Jozef en Maria arm? Dat lijkt – gezien het voorgaande – niet het geval te zijn geweest. Het tegenargument is altijd het offer van de twee duiven, waarover Lucas spreekt. Dit zou op armoede wijzen, omdat het offeren van een lam was voorgeschreven. De genoemde Alfred Dekker ontkent dit laatste aan de hand van het boek Leviticus.
Interessant is ook dat we altijd hebben geleerd dat Jozef timmerman was, terwijl in Mattheüs een Grieks woord wordt gebruikt (tektôn) dat niet alleen timmerman betekent maar ook beeldhouwer en kunstenaar. Jozef was wellicht meer artiest dan werkman.
Ten slotte: de geboorte van Jezus vond niet plaats in een wintermaand, want de herders waren nog met hun kudden in het veld. Kinderen die zingen: “Midden in de winternacht, ging de hema open…” roepen dus niet meer misverstanden op dan de dichter van de originele tekst.

Categorieën:Overdenkingen