Ter overdenking 197

Het ging de afgelopen week maar over één ding: de rituele afslachting van Theo van Gogh. De vraag die steeds weer aan de orde kwam was: moeten ook extreme meningen gehoord worden en verdienen die bescherming? Ik kon mij goed vinden in de column die Remco Campert de dag na de moord schreef in de Volkskrant (3 november 2004). 

Gemengde gevoelens
Dinsdagochtend stond ik op met een prettig vooruitzicht: ’s nachts naar de Amerikaanse verkiezingen kijken. Het beloofde een spannende nacht te worden. Ik verheugde me erop, of nu Ker­ry of Bush het zou winnen.
Even later was iedere gedachte aan de Amerikaanse verkiezings­strijd met een gore lap uitgewist. Waar was je en wat deed je op 2 november 2004 ’s ochtends om kwart voor negen?
Ik was thuis en stond me te scheren. Mijn gedachten waren bij Kerry en Bush en bij de poes die haar ontbijt wilde. Ik ging on­der de douche, kleedde me aan en zette de radio aan en dacht daarna alleen nog maar aan Theo van Gogh, die vermoord was door iemand die niet wist, of niet wou weten, dat je in Nederland naar de rechter kunt lopen als je je beledigd voelt in je (religieuze) gevoelens.
Urenlang lag het stoffelijk over­schot van de vermoorde op een hard novemberkoud fietspad, eerst onder een wit laken, daarna overhuifd door een zomerblauwe tent. Het vat vol tegenstrijdighe­den was leeggelopen. Er restte stilte.
Niet op de radio en de televisie. Een woedende burgemeester riep op tot het hoofd koel houden, maar tegelijkertijd tot een bijeen­komst op de Dam `vol kabaal’. De ene na de andere politicus stond pal voor de vrijheid van menings­uiting, maar dat is toch iets an­ders dan de vrijheid om mensen tot in hun ziel pijn te doen.
`Over de doden niets dan goeds.’ Dat is een stelregel waar Theo van Gogh zich nooit aan ge­houden heeft en ik denk dat ik hem zou beledigen als ik nu aar­dige praatjes over hem hield. Ja­ren geleden waren de joden zijn slachtoffer. Ik vind dat iemand die toen schreef `wat ruikt het hier naar caramel… vandaag ver­branden ze alleen suikerzieke jo­den’ niet als een held van de vrije meningsuiting de geschiedenis in moet gaan.
Remco Campert (de Volkskrant, 3 november 2004)

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

GRENZEN AAN HET VRIJE WOORD?
Theo van Gogh vond het vreemd dat je – citaat – “over Jezus of de God van de christenen alles mag zeggen, maar niet over Allah en zijn geitenneukers.” Dick Pels (Trouw 4-11-’04) valt hem daarin bij. De kernwaarde van het vrije woord houdt ook in – ik citeer – “het recht om te provoceren, te kwetsen en te beledigen. Zelfs maar de kleinste suggestie dat Van Gogh zijn einde over zichzelf heeft afgeroepen, is een teken dat men niet beseft wat de Nederlandse tolerantie inhoudt.” Hoewel dat laatste natuurlijk waar is, betekent dit m.i. toch niet dat altijd en overal een onbeperkt recht om te kwetsen en te beledigen zou bestaan. Het vrije woord wordt begrensd door het fatsoen. De idee dat ‘de rechter‘ er zou zijn om corrigerend op te treden is al jarenlang een fictie. Op dit punt is Campert niet goed geïnformeerd.
Ik herinner mij nog hoe men zich destijds in r.-k. kring opwond over de beledigingen die W.F. Hermans zich tegenover het katholieke volksdeel veroorloofde. NOVA (6-11-04) liet de betreffende passage nog eens zien. Op blz. 26 van “Ik heb altijd gelijk” schrijft Hermans: “De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!” Er kwam een rechtszaak, maar de eis van de bisschop werd afgewezen, omdat het hier uitlatingen betrof van een van Hermans’ romanfiguren en niet van Hermans zelf. Geen sterke motivering, want in ‘Mandarijnen op zwavelzuur’ haalt Hermans op eigen naam in superieur proza vergelijkbaar uit. Ik citeer (blz. 120): “De roomsen, die uit maniakale aandrift hun middeleeuwse tovergeloof te verspreiden in ons overbevolkte land, tot breidelloze gezinsuitbreiding ophitsen, welke grappenmakerij met de belastingpenningen der door hen zo gesmade andersdenkenden wordt betaald, – evenals hun katholieke scholen, waar de geschiedenis van Nederland in vervalste vorm wordt gedoceerd – die durven te praten over terreur!”
Katholieken en protestanten zijn er inmiddels aan gewend dat het in ons land toegestaan is iemands levensovertuiging als verwerpelijk of verachtelijk aan te merken. Moslims hebben daar – begrijpelijk – meer moeite mee. Erik van Ree haalde vorig jaar Voltaire aan, die schreef: “Het christendom is de belachelijkste, absurdste en bloedigste religie die de wereld ooit geïnfecteerd heeft”en hij concludeerde: “Pas als de islam en Mohammed op dezelfde respectloze wijze besproken worden als het christendom, liberalisme of welke levensbeschouwing dan ook – pas dan behoren de moslims erbij”. Zo’n radicale opstelling zal natuurlijk niet bijdragen aan een vrije discussie binnen de moslimwereld. Een ramkoers is contraproductief, zeer riskant en kan de tegenstellingen alleen maar verscherpen. Ik kies voorlopig toch maar voor Cohen.

Categorieën:Overdenkingen