Ter overdenking 201

Een maand lang domineerde de moord op Theo van Gogh en de nasleep daarvan de Nederlandse televisie. Hans Beerekamp in NRC/Handelsblad (03-12-04): “De dood van een andere vrijbuiter neemt nu alle aandacht in beslag, zolang het duurt.” En wat te denken van de voorspelling van societykenner Thomas Lepeltak (vroeger de man van het Stan Huygen Journaal in de Telegraaf), gedaan in B&W (VARA), dat een of twee Franse dochters bij Bernhards uitvaart aanwezig zullen zijn. Hij verwees daarbij naar de begrafenis van Mitterrand, waarbij ook twee tot dan onbekende dochters opdoken,
Via Met het oog op morgen (03-12-04) hoorde ik overigens dat het maar om één dochter zou gaan (ik begrijp het: we moeten niet alles ineens willen). Ze zou al in Nederland zijn. Volgens de verslaggever van radio 1 is aanwezigheid van Bernhards dochter bij de begrafenis ‘ondenkbaar’. Wie heeft het nu nog over godslastering en integratie?

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Prins wordt naast Juliana bijgezet
(bron: Teletekst)

Ik dacht weer aan de dichtregels van Gerard Haverkort:
De toeloop bij de uitvaart was zó talrijk,
vooral bij het begrafenisbuffet,
dat, naast de overledene, die middag
de koffie ook moest worden bijgezet. 

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Spraakmaker
Prins Bernhard was altijd het meest geïmiteerde lid van het koninklijk huis. Een goede vriend van mij beheerst het accent van de prins tot in de perfectie:”Mein Frau is een rááámp voor het lááánd.” En dan die beroemde zin uit een film van Bert Haanstra, wanneer het koninklijk gezin op de foto moet en Juliana niet al te vrolijk in de lens blikt: “Mein Frau is aalteid biezonder zerieuzz’. Als Bernhard het woord neushoorn uitsprak was je dag goed. Ik hoop altijd nog op herhaling van het André van Duin-programma waarin hij de voorzitter van het Wereldnatuurfonds interviewt en aan het eind de prins verzoekt nog één keer neushoorn te willen zeggen. Frits Abrahams (NRC/Handelsblad 02-12-04) maakt melding van een hagiografisch werkje uit 1951, getiteld Onze prins – in het publiek en binnenskamers, geschreven door dr. J. Waterink (ik neem aan dat het hier de in gereformeerde kring (over)bekende Prof. Waterink betreft). In dit boekje komt uitgebreid de hoogleraar Duits, Prof. dr. J.H. Scholte, aan het woord. Hij gaf de prins onderricht in het Nederlands. Deze geleerde schreef al in 1936: “Ik stelde onmiddellijk een uitgesproken individuele wijze van spreken vast, die geen sterke beïnvloeding zou gedogen”. Maar er was wel hoop: ”Het leek mij niet onmogelijk door intensieve oefening enkele Duits getinte klanken weg te werken.” De zinnen die aan de inburgering van de prins moesten bijdragen, verdienen te worden geboekstaafd. Ik citeer: “men geve goede gaven en grote giften aan gebrekkigen en behoeftigen; elf snelle Belgen snelden van Delft naar Gelderland; schrandere schreeuwers schijnen scherpe schimpscheuten niet te schuwen.” Deze laatste zin vond ik al bij Lou de Jong, zoals de trouwe lezer zich uit Overdenking nr. 30 zal herinneren. Prof. Scholte was overigens enthousiast over de vorderingen van zijn leerling. Hij schreef: “Het resultaat was voor mijn gevoel verrassend, grotendeels het gevolg van de soepelheid van zijn spraakorgaan […]Maar zouden de resultaten zich ook buiten het privatissimum handhaven?”
Zulke vragen blijven ons boeien.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Categorieën:Overdenkingen