Ter overdenking 341

Jan Pen: A ‘Live’ and ‘Kicking’
Het lijkt me een vreemde ervaring van jezelf te lezen dat je er niet meer bent terwijl je buiten de zon ziet schijnen. Het overkwam dit weekend de econoom professor Jan Pen, auteur van veel studieboeken en jarenlang columnist van Het Parool. De inmiddels 88 jaar oude emeritus hoogleraar verkeert overigens in goed gezelschap. Als klassiek voorbeeld figureert het ten onrechte gepubliceerde overlijdensbericht van de Amerikaanse schrijver Mark Twain, die liet weten: ‘Het bericht van mijn dood is sterk overdreven.’
Een andere voortijdige necrologie was die van Alfred Nobel. Hij verdiende kapitalen met de productie van springstoffen. Toen de grootindustrieel las dat hij werd herdacht als ‘handelaar in de dood’ was dat voor hem aanleiding voor het instellen van de Nobelprijs, om zijn imago op te krikken.
Het artikel dat de Volkskrant over Jan Pen publiceerde zal de springlevende geleerde niet hebben geschokt. Onder de kop ‘De Wim Kan onder de economen’ wordt hij geprezen als een ‘briljante macro-econoom en meester in de vertelkunst’. Maar het blijft natuurlijk merkwaardig dat hij als het ware voorbij zijn eigen dood heeft kunnen kijken. Hij weet nu hoe ze over hem zullen schrijven. Erop reageren kan hij – denk ik – niet, want hij wordt geacht er niet meer te wezen.
Frits Abrahams (NRC Handelsblad 28-05-09) signaleert nog een humoristische bijzonderheid. Wanneer Jan Pen te zijner tijd echt sterft, kan hij niet horen hoe een journalist van de Volkskrant bevend naar zijn huis belt. Ditmaal móét er echt gecheckt worden. De journalist hoort de nog niet verwijderde stem van Pen op de voicemail en roept in paniek: ‘Neemt u mij niet kwalijk!’
Intussen heb ik begrepen dat de familie Pen genoeg heeft van alle rumoer over het bizarre misverstand. Aan Het Parool liet Pen weten: ‘Ik speel nog iedere dag op het keyboard Bach en de blues van Jimmy Yancey. Kent u die niet?’
Voor de lezers die Jimmy Yancey niet kennen vermeld ik dat het hier een door Pen bewonderde boogie-woogie pianist betreft. Jan Pen is altijd een liefhebber geweest van wat destijds ‘oude-stijl-jazz’ werd genoemd. In de jaren vijftig heb ik op vergaderingen van de Haagse jazz Club vaak de degens met hem gekruist, want moderne vormen van jazz waren aan hem niet besteed. In het proefschrift van Henk Kleinhout (‘Jazz als probleem’) schrijft de auteur: “Onder de titel: “Moet dat gebop doorgaan?” gaf Jan Pen, de latere hoogleraar economie in het krantje van de Haagse Jazz Club van november 1951, lucht aan zijn ongenoegen over het te uitvoerig boppen op clubavonden. Dat moest ophouden, aldus Pen, omdat “deze hikkerige, chromatische loopjes, deze unisono-draaitjes, dit hele glibberige gefriemel binnen de vijf minuten vervelend wordt.” Maar, voegde hij eraan toe, als zou blijken, dat hij zich vergiste, dat de huidige leden van de club dit ‘misselijke muziekje” wel op prijs stellen, “dan vooral doorgaan met glibberen.” De geschiedenis heeft geleerd dat dit laatste het geval is geweest. De ‘schrijfhengsten’ die werden aangezocht in muziekencyclopedieën de jazzlemma’s te verzorgen, bleven uiteraard nog een paar jaar fulmineren tegen de naoorlogse ontwikkelingen in de jazz (‘cerebrale allures’, ‘gewild raffinement’, ‘overspannen sfeer’) maar de musici gingen uiteraard hun eigen weg.
Intussen blijf ik Jan Pen dankbaar voor zijn instructieve economische opstellen die mij in staat stelden in 1966 het tentamen openbare financiën bij Prof. Glasz met succes af te leggen.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Samenvatting van de rede van de gemiddelde bankdirecteur:
“Het gaat goed maar het kan nog slechter.”
Rinus Ferdinandusse

Categorieën:Overdenkingen